Dus: is dat normaal?
Ja. Niet elk kind heeft een beste vriend nodig om zich sociaal goed te voelen. Vriendschappen zijn belangrijk voor kinderen en hun sociale ontwikkeling, maar hoe die vriendschappen eruitzien, verschilt sterk van kind tot kind.
Het ene kind heeft jarenlang één onafscheidelijke vriend. Een ander heeft verschillende vrienden: eentje om mee te voetballen, eentje om naast te zitten in de klas en nog iemand met wie het graag op de trampoline springt na school. Sommige kinderen voelen zich prima in een grotere groep, zonder één iemand als hun allerbeste vriend te beschouwen, terwijl andere net beter gedijen in een één-op-één context.
Vanaf wanneer hebben kinderen eigenlijk vrienden?
Vriendschappen ontstaan al vrij jong, al betekent vriend zijn voor een peuter of kleuter nog iets anders dan voor een kind van tien. Vanaf ongeveer 3 jaar gaan kinderen steeds meer echt mét andere kinderen spelen en krijgen ze duidelijkere voorkeuren. Tijdens de kleuterjaren worden die contacten geleidelijk wederzijdser en stabieler. Kinderen kunnen dan ook al iemand als hun beste vriend beschouwen. Maar dat betekent niet dat ieder kind op die leeftijd een beste vriend heeft – of zou moeten hebben.
Een onderzoek bij kinderen rond de overgang van de kleuterschool naar de lagere school illustreert dat mooi. 83% van de kinderen had minstens één wederzijdse vriend: een kind dat zij als vriend beschouwden en dat hen zelf ook als vriend zag. Maar slechts 29% had een wederzijdse béste vriend. Met andere woorden: de meeste kinderen hadden wel vrienden, maar lang niet allemaal die ene allerbeste vriend.
Dat is interessant, want op de speelplaats kan het makkelijk lijken alsof ieder kind een BFF heeft, behalve dat van jou. Terwijl zo'n beste vriendschap dus helemaal geen noodzakelijke mijlpaal is.
Kijk minder naar het label, meer naar je kind
Belangrijker dan de vraag “Heeft mijn kind een beste vriend?” is hoe je kind zijn sociale leven zelf ervaart. Heeft het kinderen bij wie het graag is? Wordt het betrokken bij spel? Heeft het iemand bij wie het terechtkan? Praat het positief over andere kinderen? En vooral: is je kind zelf tevreden met zijn vriendschappen?
Onderzoek bij kinderen van 7 tot 11 jaar laat zien dat een wederzijdse beste vriendschap voordelen kan hebben: kinderen met zo'n vriendschap rapporteerden gemiddeld een betere kwaliteit van vriendschap en voelden zich sterker verbonden met leeftijdsgenoten. Maar ook andere wederzijdse vriendschappen en vooral de kwaliteit daarvan bleken belangrijk.
Een kind dat geen "BFF" heeft, maar wel een paar fijne contacten en daar zelf tevreden mee is, hoeft dus niet geholpen te worden om alsnog die ene speciale vriend te vinden.
Wanneer is het wél iets om in de gaten te houden?
Het wordt natuurlijk anders wanneer je kind zelf last heeft van de situatie. Bijvoorbeeld wanneer het vertelt dat het zich alleen voelt, vaak niet mee mag spelen, nooit wordt uitgenodigd of verdrietig is omdat het graag vrienden zou willen maar moeilijk aansluiting vindt.
Ook wanneer een kind langere tijd helemaal geen wederzijdse vriendschappen heeft, is het zinvol om wat beter te kijken naar wat er speelt. Praat dan bijvoorbeeld eens met de leerkracht. Die ziet vaak goed hoe je kind zich in de klas en op de speelplaats beweegt. Speelt het mee? Bij wie zoekt het aansluiting? Wordt die toenadering beantwoord? Of wordt je kind regelmatig uitgesloten?
Je hoeft geen beste vriend te "regelen"
Als ouder kun je natuurlijk kansen creëren om vriendschappen te laten groeien. Nodig eens één klasgenootje uit, spreek af in het park of help je kind een hobby te vinden waar het kinderen met dezelfde interesses ontmoet. Zeker voor kinderen die zich in een grote groep wat moeilijker mengen, kan contact met één ander kind makkelijker zijn.
Maar een hechte vriendschap laat zich niet organiseren. En door voortdurend te vragen wie de beste vriend is of waarom je kind geen beste vriend heeft, kun je onbedoeld het gevoel geven dat er iets ontbreekt.
Vraag liever eens: “Met wie heb je vandaag fijn gespeeld?”, “Bij wie zit je graag?” of “Met wie zou je nog eens willen afspreken?” Misschien blijkt dan dat je kind geen beste vriend heeft, maar wel genoeg vrienden.

