opa en kleinzoon

Mijn vader heeft overduidelijk een favoriet kleinkind, en dat steekt

29/05/2026

Mijn jongste zoon hoeft nog maar een voetbal vast te pakken of mijn vader straalt al alsof hij zonet hoogstpersoonlijk de winning goal heeft gescoord in de Champions League-finale. “Da’s nen echte,” zegt hij dan trots, terwijl hij hem een speelse duw geeft. Ze praten over matchen, over fietsen, over snelheid, competitie, winnen. Ze lijken soms letterlijk uit hetzelfde hout gesneden.

Mijn oudste staat er dan wat aarzelend glimlachend bij. Beleefd. Rustig. Een beetje op afstand. Hij is totaal anders. Creatief, bedachtzaam, gevoelig. Terwijl zijn broer urenlang buiten wil ravotten, zit hij liever te tekenen of muziek te luisteren. Hij denkt na voor hij iets zegt. Hij observeert meer dan hij op de voorgrond treedt. Als kind leek hij al meer op mij dan op de mannen in onze familie. En ergens denk ik dat daar het “probleem” zit.

Mijn vader begrijpt mijn jongste. Automatisch. Moeiteloos. Ze spreken dezelfde taal. Ze hebben dezelfde humor, dezelfde energie, dezelfde interesses. Bij mijn oudste lijkt het alsof hij moet zoeken. Alsof hij niet goed weet wat hij met hem aan moet.

Dat zou op zich nog niet zo erg zijn, mochten volwassenen wat beter zijn in het verbergen van hun voorkeuren. Maar dat is mijn vader dus niet. Als we op bezoek gaan, vraagt hij eerst aan mijn jongste hoe de training was. Of hij al een nieuwe fiets heeft. Of hij zondag weer gewonnen heeft. Mijn oudste krijgt daarna een vluchtig: “En op school alles goed?” waarna het gesprek vaak alweer terug richting sport gaat.

Met Nieuwjaar kreeg de ene een cadeau waar duidelijk over nagedacht was, en de andere iets wat eerder voelde alsof het onderweg snel nog gekocht was. Op familiefeestjes trekt hij bijna automatisch naar de jongste toe. Als hij ergens mee wil pronken bij vrienden of kennissen, is het steevast met de sportieve prestaties van de jongste.

En ja, misschien zijn dat kleine dingen. Misschien lijkt het van buitenaf banaal. Maar kinderen voelen dat. Kinderen voelen feilloos aan bij wie ze helemaal zichzelf mogen zijn, en bij wie ze vooral “anders” zijn.

Wat het nog pijnlijker maakt: mijn zus heeft een dochter. Een lief, rustig meisje. En ook zij krijgt veel minder aandacht dan mijn jongste. Ik zie het gebeuren, en ik schaam me daar soms bijna voor. Alsof mijn kind — zonder dat hij daar iets aan kan doen — meer waardering krijgt omdat hij toevallig beter in het plaatje past dat mijn vader begrijpt.

Dat wringt. Ook tussen mij en mijn zus, al spreken we het nauwelijks uit. Want wat valt daar eigenlijk over te zeggen?

Het moeilijke is dat niemand ooit openlijk gemeen doet. Er worden geen harde dingen gezegd. Mijn vader zou zichzelf waarschijnlijk omschrijven als een fantastische opa. En in veel opzichten ís hij dat ook. Hij komt helpen, hij is betrokken, hij houdt oprecht van zijn kleinkinderen. Maar liefde alleen maakt kinderen niet blind voor verschil.

Ik heb het ooit voorzichtig proberen aan te kaarten. Ik zei dat het soms leek alsof hij meer aansluiting vond bij mijn jongste, en dat ik bang was dat de anderen dat ook voelden. Maar hij lachte het weg.

“Je zoekt daar veel te veel achter.”
“Dat zit tussen je oren.”
“Je mag tegenwoordig precies niets meer doen zonder dat daar een probleem van gemaakt wordt.”

Sindsdien heb ik het nog amper benoemd. Want hoe praat je over iets dat vooral voelbaar is? Hoe bewijs je een sfeer? Een dynamiek? Een kind dat nét iets vaker overgeslagen wordt?

Soms vraag ik me af wat het met mijn oudste doet. Of hij later zal terugdenken aan zijn jeugd en zich zal herinneren dat hij altijd een beetje harder zijn best moest doen voor aandacht. Of hij zichzelf misschien stilaan heeft wijsgemaakt dat hij gewoon “minder interessant” was voor opa.

En tegelijk voel ik me schuldig tegenover mijn jongste, omdat hij hier natuurlijk niets fout doet. Hij kiest er niet voor om de favoriet te zijn. Hij merkt waarschijnlijk niet eens hoe anders hij behandeld wordt. Dat maakt het net zo ingewikkeld.

Want niemand wil geloven dat grootouders favorieten hebben. Dat botst met het romantische beeld dat we van families maken. We zeggen graag dat grootouders al hun kleinkinderen gelijk zien. Maar mensen blijven mensen. Ook als ze opa of oma worden.

Ze voelen zich vaak vanzelf meer aangetrokken tot kinderen waarin ze zichzelf herkennen. Kinderen die hun interesses delen, hun karakter hebben, hun wereld begrijpen. Alleen vergeten volwassenen soms dat kinderen die verschillen óók gezien willen worden. Misschien zelfs nog meer.

Ik probeer daarom extra hard te benoemen wat ik mooi vind aan mijn oudste. Hoe creatief hij is. Hoe opmerkzaam. Hoe hij dingen ziet die anderen missen. Ik hoop dat hij zich daardoor niet minder waard voelt. Maar eigenlijk wou ik dat dat niet nodig was …