We hadden het er al vaak over gehad, over een derde kind. Tussen de soep en de patatten, weliswaar. Mijn partner zei geen nee. Hij zei gewoon dat het nu goed liep. Dat we eindelijk weer wat ademruimte hadden. Dat hij niet wist of hij opnieuw zin had in slapeloze nachten, opvangstress en weer helemaal opnieuw beginnen. Het waren redelijke argumenten. Precies daarom viel er weinig tegenin te brengen. Maar bij mij bleef het knagen.
We hebben twee gezonde kinderen. Ons leven draaide weer. We waren voorbij de jaren waarin je voor een korte uitstap meer moest meenemen dan voor een weekend weg. Maar ik merkte dat ik niet stond waar hij stond. Ik voelde het wanneer ik babykleren niet kon weggeven. Wanneer ik bleef kijken naar kinderwagens op straat. Wanneer ik dacht: misschien is dit nog niet het einde.
Ik zei dat niet. Ik werd gewoon minder zorgvuldig met mijn pil. Er was geen groot plan. Geen uitgewerkte strategie. Eerder een reeks kleine beslissingen die ik niet hardop benoemde. Geen alarm meer zetten voor mijn pil. Later nemen. Een keer vergeten. Nog eens. Net genoeg om het achteraf toeval te kunnen noemen.
Toen bleek ik effectief zwanger. Mijn partner schrok natuurlijk. Maar hij zei meteen dat het wel goed zou komen. We houden het kindje. Daar was eigenlijk op geen enkel moment twijfel over, niet bij mij, uiteraard, maar ook niet bij hem.
All good, zou je denken. Maar natuurlijk knaagt bij mij nu het schuldgevoel. Want hij denkt dat we ‘pech’ hebben gehad en dat het buiten onze wil gebeurd is. Ik weet dat ik het mee heb laten gebeuren. Ik heb geen groot verraad gepleegd. Geen affaire. Geen dubbelleven. Dat maak ik mezelf althans graag wijs. Maar ik heb wel zijn vertrouwen geschonden.
Ik weet niet of ik het hem ooit vertel. Ik denk het niet. Wat maakt het nu nog uit?