Zes jaar geleden kregen we het verdict dat mijn papa, toen 58 jaar, ongeneeslijke uitgezaaide prostaatkanker had. Het was vernietigend nieuws, maar er was tegelijk hoop. De beste artsen boden levensverlengende behandelingen aan en papa besloot ervoor te gaan. Jarenlang stond alles in het teken van chemo’s, bestralingen en scans. En toch leefde hij. Tussen de ziekenhuisopnames door maakten we herinneringen. Er werden kleinkinderen geboren, we reisden met de hele familie naar Italië en naar zee, we vierden communies en verjaardagen met een intensiteit die misschien alleen ontstaat wanneer je weet dat tijd niet onbeperkt is.

Voor mijn kinderen was opa gewoon opa. Een grappige, vrolijke man die hen liet lachen, die aanwezig was op hun feestjes en die daarnaast ook “een beetje kanker” had. Ziekte was voor hen een woord, geen realiteit. Als iemand jarenlang ongeneeslijk ziek is en hen toch van school ophaalt en met hen aan tafel zit en mopjes maakt, lijkt het haast alsof die persoon onoverwinnelijk is. Alsof hij er altijd zal zijn.
Tot het plots snel ging. De laatste maanden keerde het tij. Na een wekenlange ziekenhuisopname mocht papa eind mei nog naar huis komen. We voelden allemaal dat dit anders was. Dat dit geen volgende ronde in een lange strijd was, maar het begin van het einde. Toch zorgden we ervoor dat hij er nog bij kon zijn: op het huwelijk van mijn jongste zus, op de communiefeesten van twee van zijn kleinkinderen. Zijn levenslust bleef bewonderenswaardig tot de allerlaatste dag. Maar levenswil alleen bleek niet voldoende. Op 15 juni doofden de pretlichtjes in zijn ogen.
Mijn papa is dood. Die zin blijft schuren. Hij is rauw, leeg en definitief.
Maar wat mij misschien nog het meest bijblijft, is de blik in de ogen van mijn kinderen toen we hen vertelden dat opa gestorven was. Dat moment, waarop je als ouder beseft dat je je kind niet kunt beschermen tegen de werkelijkheid. Dat zij voor het eerst echt geconfronteerd worden met de eindigheid van het leven.
De eerste dagen stelden ze vooral technische (en soms ook lichtjes lugubere) vragen. Ze wilden weten of opa in stukjes gesneden moest worden voor hij gecremeerd zou worden. Of hij nog pijn voelde. Waarom de dokters hem geen elektrische schok hadden gegeven om zijn hart weer te laten starten. Waarom de Sint wel zo oud is geworden en opa niet.
Het zijn vragen die je hart doen breken en die tegelijk tonen hoe concreet kinderen denken. Ze proberen de dood te begrijpen zoals ze een kapotte fiets of een lege batterij begrijpen: iets wat misschien hersteld kan worden als je het juiste middel inzet. Hun vragen zijn een zoektocht naar logica in een situatie die geen logica heeft. De logica ben ik zelf ook volledig kwijt.
Naast die vragen begon ook hun eigen rouwproces. Dat uitte zich niet in lange gesprekken of grote woorden, maar in kleine signalen. Moeilijker in slaap vallen omdat ze plots bang zijn dat mensen verdwijnen. ’s Avonds nog eens vragen waar opa nu precies is. Overdag plots zijn naam noemen wanneer ze een vlinder zien. Hem missen bij momenten waarop hij er vroeger bij was: “aperitieven was leuker met opa erbij.”
Naast mijn eigen verlies en rouwproces, dat ik onderschat had, voel ik ook een intense pijn voor hen. Dat zij zo vroeg moeten leren wat afscheid nemen betekent. Dat zij moeten ervaren dat sommige mensen niet terugkomen, hoe graag je dat ook zou willen. Ik had hen dat graag nog enkele jaren bespaard.
Mijn papa is dood, hun opa is gestorven. Dat doet pijn op een manier die moeilijk te beschrijven is. Maar het meest verscheurende moment blijft misschien dat eerste gesprek met mijn kinderen, waarin hun wereld een beetje kleiner werd.
En toch hoop ik dat wat blijft, sterker zal zijn dan wat wegviel: de herinneringen aan een opa die hen graag zag, die aanwezig was, die vocht om bij hen te blijven zolang hij kon. Dat zij hem niet alleen zullen herinneren om zijn sterven, maar vooral om hoe hij leefde: een vrolijke grappige opa met een grote dosis levenswijsheid en vechtlust, tot op het einde.
Esther Gheyssens
Deze blog verschijnt ook op Gezelligechaos.

