Na ons eerste kindje was het vuur tussen ons al wat gaan liggen. Logisch, dacht ik toen. We waren moe. Ik had een lijf dat niet meer het mijne leek. Er was altijd wel een baby die huilde, een wasmachine die piepte of een hoofd dat overliep. Seks werd iets dat we inplanden tussen twee dutjes in, zoals een tandartsafspraak maar dan met meer verwachtingen.
Maar nu, met twee kinderen, lijkt het hoofdstuk gewoon afgesloten. En wat het nog moeilijker maakt: het is niet eens omdat ík niet wil. Het is hij die geen initiatief meer neemt. Hij die “te moe” is. Hij die liever nog een aflevering kijkt of gewoon gaat slapen. En daar had niemand mij voor gewaarschuwd.
Het grapje dat geen grapje is
In mijn omgeving wordt er graag gelachen over hoe vrouwen “altijd hoofdpijn hebben” en mannen “altijd willen”. Ik lach mee. Natuurlijk lach ik mee. Wat moet ik anders doen? Zeggen: “Grappig, maar bij ons is het eigenlijk omgekeerd en dat doet best pijn”? Dus ik knik en glimlach terwijl ik vanbinnen een steek voel.
Want als je man geen interesse meer lijkt te hebben, dan begin je automatisch bij jezelf te zoeken. Ben ik veranderd? (Ja.) Ben ik minder aantrekkelijk? (Waarschijnlijk ook, in mijn hoofd toch.) Ben ik te veel mama en te weinig vrouw geworden?
Mijn zelfvertrouwen heeft er een stevige deuk van gekregen. Ik kan naar mezelf kijken en rationeel weten dat ik twee kinderen op de wereld heb gezet, dat mijn lichaam sterk is, dat ik mijn best doe. Maar ergens fluistert er een stemmetje: “Blijkbaar niet genoeg.”
Eenzaam in een vol huis
Het gekke is: ons leven is vol. Overvol zelfs. Er is altijd lawaai, altijd beweging, altijd iemand die iets van mij nodig heeft. En toch voel ik me soms eenzaam.
Niet omdat hij een slechte man is. Integendeel. Hij is een fantastische papa. Zorgzaam. Betrokken. Lief. We zijn een goed team. We draaien samen dit huishouden, we plannen, we overleggen, we functioneren. Maar we raken elkaar nauwelijks nog aan. En ik mis dat. Niet alleen de seks, maar het gevoel begeerd te worden. Gewild. Gekozen. Niet als mama van zijn kinderen, niet als logistieke partner, maar als vrouw.
Ik probeer me te focussen op wat er wél is. Twee gezonde kinderen. Een stabiel gezin. Avonden samen in de zetel. Dat is veel waard, dat weet ik. Soms zeg ik tegen mezelf dat dit gewoon een fase is. Dat jonge ouders nu eenmaal overleven in plaats van elkaar te verleiden.
Maar soms lig ik wakker en vraag ik me af: en als dit het dan is? Als we van geliefden zijn veranderd in gewoon huisgenoten?
Waarom ik dit schrijf
Omdat ik vermoed dat ik niet de enige ben.
Omdat ik denk dat er meer vrouwen zijn die meewarig glimlachen bij die clichés over “mannen met een grotere appetijt”, terwijl ze thuis naast iemand liggen die zich omdraait en inslaapt.
Omdat het een taboe lijkt wanneer een vrouw zegt: “Ik wil wel. Hij niet.”
Ik durf er moeilijk over te praten met vriendinnen. Het voelt alsof ik hem verraad. Of alsof ik onze relatie te kijk zet. En dus slik ik mijn woorden in. Ik rationaliseer. Ik maak lijstjes in mijn hoofd van alles wat goed gaat. Maar verlangen laat zich niet wegredeneren.
En nu?
Ik heb geen grootse conclusie. Geen vijf stappen naar een bruisend seksleven. Ik weet zelfs niet goed hoe ik dit gesprek met hem moet voeren zonder dat het klinkt als een verwijt. Maar wat ik wel weet, is dat zwijgen het alleen maar groter maakt in mijn hoofd.
Misschien begint het hier. Met eerlijk zijn. Met toegeven dat ik hem mis, ook al zit hij elke avond naast mij in de zetel. Dat ik niet alleen mama wil zijn, maar ook vrouw. Dat ik soms onzeker ben. Dat het me raakt.
En als jij dit leest en denkt: “Dit is herkenbaar”, weet dan ook dat je niet alleen bent ...

