“Hoe was het op school?” “Goed.” “Nog iets gebeurd?” “Nee.” Wie tieners heeft, kent het. De auto is nochtans een goeie plek om te praten. Je zit naast elkaar, niemand hoeft iemand aan te kijken en ze kunnen niet zomaar naar hun kamer verdwijnen. Je moet alleen betere vragen stellen.
Begin met jezelf. Maar draai daarna de rollen om en laat hen aan de beurt komen. Wij hebben echt gegierd. (Trouwens, eerst gaan ze het belachelijk vinden. Je moet een beetje doorbijten.) En nee, dit zijn inderdaad geen geweldig intelligente vragen ofzo. Maar dat is niet the point. Je moet ze vooral op gang krijgen, nietwaar?
1. Aan welk dier doe ik je denken?
Mijn oudste: “Een haan.”
Waarom? “Omdat je veel lawaai maakt. Vooral ’s ochtends.”
Ik probeerde nog: “Een haan is ook wel statig?” “Nee. Ik bedoel die rare haan uit Vaiana. Die altijd alle kanten uitgaat.”
Mijn jongste: “Een weidedier.”
2. Als ik een waarschuwing op mijn voorhoofd moest hebben voor mensen die mij nog niet kennen, wat zou erop staan?
“Ze praat veel.”
Oké, daar gaan we verder geen woorden aan vuil maken.
"Ze is echt verstrooid. Je wordt gek van haar."
Laat de tieners ook voor elkaar antwoorden. Goed voor de sfeer en gezelligheid.
3. Als ik morgen gearresteerd word, waarvoor denk je dan dat het is?
Mijn jongste: “Ergens tegen rijden.” Mijn oudste: "Iets met je auto."
Soms komen ze zo goed overeen, die schatjes.
4. Welke job zou ik volgens jou absoluut NIÉT mogen doen?
De jongste: “Politie.”
Excuseer? “Je zou iemand per ongeluk neerschieten.”
Oké.
De oudste: "Leerkracht." "Je wordt al gek van ons."
5. Als je mij één dag mocht vervangen door een andere mama – eender wie – wie zou je kiezen?
De jongste: “Niemand.”
Nee, maar echt. Eender wie. Een bekende mama? Iemand die je kent? Iemand die rijk is? Iemand die alles toelaat?