‘En als je vriend zoiets doet?’ Het gesprek dat we met onze zonen moeten voeren
Voor wie niet helemaal mee is: een voormalige studente van de Amerikaanse Cornell University beschuldigt zeven mannen van de studentenvereniging Chi Phi ervan dat ze haar in oktober 2024 hebben gedrogeerd en urenlang hebben misbruikt.
En alsof dat nog niet genoeg is: er zou ook een Snapchatgroep geweest zijn met tientallen andere studenten van de vereniging waarin er live berichten verschenen over wat er aan het gebeuren was. Niet één van die jonge mannen greep in: niemand hield de zeven studenten tegen, niemand kwam de studente ter hulp, niemand waarschuwde de politie. Niet één.
Wraakroepend is het. En onbegrijpelijk.
Wellicht zou het ons ondertussen niet meer mogen verbazen, maar hoe teleurstellend is het dat een jong meisje in de steek wordt gelaten door zoveel mannen? “Niet alle mannen”, wordt er dan gezegd. En dat klopt, absoluut. Maar ze zijn toch met verdomd veel.
Onze tieners beschermen
Als mama willen we onze kinderen beschermen. En dus zijn we (heel terecht, denk ik zo) kwaad. Zo ontzettend kwaad. Dat dergelijke zaken blijven gebeuren. Dat er niet wordt ingegrepen. Dat er nauwelijks wordt gestraft. Dat we er maar niet in slagen onze dochters te beschermen. Het is om misselijk van te worden.
Maar tegelijk hebben we een verantwoordelijkheid. We moeten in gesprek gaan met onze tieners. En dan vooral met onze tienerzonen. Want natuurlijk kunnen we aan onze dochters meegeven dat ze bij hun vriend(inn)en moeten blijven. Dat ze hun drankje niet onbewaakt mogen achterlaten op een feestje. Dat ze iemand moeten laten weten waar ze zijn. Dat ze ’s nachts beter niet alleen langs dat donkere, afgelegen baantje naar huis fietsen. Maar dan leggen we de verantwoordelijkheid wéér bij hen. En laat dat nu net het laatste zijn wat we willen doen.
We moeten het óók met onze zonen hebben over seksueel geweld
Als we écht iets willen veranderen, moeten we het gesprek ook — en misschien vooral — voeren met onze zonen. En dan niet alleen over wat zij zelf nooit mogen doen, maar ook over wat ze doen wanneer hun beste vriend een meisje lastigvalt. Wanneer iemand veel te dronken is om nog helder toestemming te kunnen geven. Wanneer er een naaktbeeld in de groepschat verschijnt. Wanneer een vriend opschept over iets wat eigenlijk helemaal niet oké klinkt. Wanneer iedereen lacht om een seksistische opmerking. Of wanneer er dingen worden gepost in zo'n Snapchatgroep en ze voelen: dit klopt niet.
Maar hoe geef je een jongen zo'n moreel kompas mee? Ik ga er vanuit dat we allemaal zonen willen grootbrengen die grenzen respecteren, die weten wat toestemming betekent, die niet meelachen wanneer een meisje vernederd wordt en durven in te grijpen wanneer iemand anders te ver gaat. Alleen: hoe doe je dat in de praktijk?
Ons ervan af maken met een simpele “respecteer meisjes” is al te gemakkelijk. Want daarmee weet je nog niet wat je zestienjarige doet wanneer zijn beste vriend op een feestje iets doet wat niet oké is en de andere jongens hem aanmoedigen. Of wanneer hij wél voelt dat iets fout zit, maar denkt: Als ik hier iets van zeg, lig ik straks zelf uit de groep. Of: Wat als ik het verkeerd gezien heb? Of gewoon: Ik wil geen snitch zijn.
Precies daarom moeten we dit gesprek voeren vóór onze zonen in zo'n situatie terechtkomen. Hoe ongemakkelijk of awkward dat gesprek misschien ook voelt. En dat hoeft geen urenlange preek aan de keukentafel te worden.
1. Begin niet met vertellen, begin met vragen
Een zaak als die van Cornell kan een goede aanleiding zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen vragen of je zoon heeft gehoord van de zaak Cornell. En daarna zeg je niet wat hij daarvan zou moeten vinden, maar vraag je: “Wat vind jij daar eigenlijk van?” Of nog concreter: “Stel dat jij op zo'n Snapchatgroep zit en je krijgt zo'n bericht. Wat zou jij doen?”
Misschien zegt hij onmiddellijk: “De politie bellen.” Maar misschien zegt hij ook: “Geen idee.” Of: “Ik zou me daar niet mee bemoeien.” Probeer dan niet meteen te reageren met: “Maar natuurlijk moet je dat wél doen!” Vraag door.
“Waarom zou je je er niet mee bemoeien?”
“Zou je bang zijn dat je vrienden kwaad worden?”
“Zou het anders zijn als het over je beste vriend ging?”
“Wanneer zou jij vinden dat je wél iets moet doen?”
Zo krijg je zicht op hoe je zoon werkelijk denkt. En dáár kun je mee aan de slag.
2. Maak toestemming heel concreet
“Je moet haar grenzen respecteren” blijft voor een tiener behoorlijk abstract. Praat daarom over situaties die hij werkelijk kan meemaken.
“Wat als een meisje eerst met je wil zoenen en daarna niet verder wil?”
“Wat als ze niets zegt?”
“Wat als ze eerder die avond heeft gezegd dat ze seks wilde, maar ondertussen zo dronken is dat ze amper nog weet waar ze is?”
“Wat als je niet zeker weet of ze het wil?”
Toestemming is geen eenmalige vrijgeleide. Een ja voor zoenen is geen ja voor seks. Iemand mag op elk moment van gedachten veranderen. Geen nee horen is niet hetzelfde als een ja krijgen. En iemand die zo onder invloed is dat die niet meer helder kan beslissen, kan ook geen vrije toestemming geven.
3. Ga een stap verder dan: “Jij zou zoiets toch nooit doen?”
Hopelijk niet. Maar daar houdt zijn verantwoordelijkheid niet noodzakelijk op. Vraag dus ook: “En wat als je vriend zoiets doet?” Want tussen degene die over een grens gaat en degene van wie die grens wordt overschreden, staan vaak nog anderen.
De vriend die merkt dat een meisje nauwelijks nog op haar benen kan staan. Degene die een verontrustend bericht in een groepschat leest. De jongen die hoort hoe zijn vriend opschept over wat hij van plan is. Degene die ziet dat iemand mee naar boven wordt genomen en denkt: Hmm. Dit voelt niet goed. Wat doe je dan?
Dat is een vraag waarop we onze zonen beter een antwoord helpen zoeken vóór ze het ooit nodig hebben.
4. Geef hem concrete manieren om iets te doen
Ingrijpen betekent niet noodzakelijk dat je in je eentje zeven andere jongens moet confronteren. Dit zijn een aantal manieren waarop hij kan helpen:
- Je kunt rechtstreeks iets zeggen: “Gast, stop. Dit is niet oké.”
- Je kunt je vriend uit de situatie halen: “Kom, we gaan even naar buiten.”
- Je kunt naar het meisje toestappen: “Hé, alles oké? Zal ik je even naar je vriendinnen brengen?”
- Je kunt andere vrienden inschakelen.
- Je kunt een verantwoordelijke, security of een volwassene halen.
- Wanneer je denkt dat iemand in gevaar is, kun je hulpdiensten inschakelen.
- Zelfs afleiden kan werken: binnenlopen, iemand wegroepen, doen alsof je dringend hulp nodig hebt. Het doel is niet de held uithangen. Het doel is ervoor zorgen dat de situatie stopt.
- Besef je pas achteraf dat er iets niet klopte? Dan is het niet “te laat” om iets te doen. Je kunt het slachtoffer steun aanbieden, berichten of beelden bewaren, met een volwassene praten of helpen om hulp in te schakelen.
5. Praat ook over dat ene scenario dat véél moeilijker is: “Maar het is mijn vriend”
Want in theorie is dit allemaal eenvoudig, maar in werkelijkheid is degene die iets verkeerd doet misschien niet een of andere creep. Misschien is het zijn ploegmaat. Zijn beste vriend. Die jongen die al sinds het derde leerjaar bij jullie over de vloer komt.
Vraag daarom letterlijk: “Zou jij je beste vriend durven tegenhouden?” En ook: “Wat zou je ervan weerhouden?”
Dat gesprek is misschien veel waardevoller dan honderd keer zeggen dat seksueel geweld verkeerd is.
6. “Straks ben ik de snitch”
Neem die angst serieus. Voor een tiener kan uit een vriendengroep vallen gigantisch voelen. “Het kan me niet schelen wat die jongens van jou denken” helpt hem dus weinig.
Vraag liever: “Wat zou jij het ergste vinden? Dat ze kwaad worden? Dat ze je een klikspaan noemen? Dat ze je uit de groep gooien?” En zoek daarna samen naar opties.
Moet hij altijd publiekelijk iemand confronteren? Nee.
Kan hij één andere vriend aanspreken van wie hij weet dat die hetzelfde denkt? Ja.
Kan hij iemand apart nemen? Zeker.
Kan hij hulp inschakelen zonder zichzelf fysiek in gevaar te brengen? Absoluut.
En misschien kun je hem ook dit meegeven: als jij in een groep denkt “dit is niet oké”, is het heel goed mogelijk dat iemand anders exact hetzelfde denkt en óók niet als eerste iets durft zeggen. Iemand moet de eerste zijn.
7. Zorg dat hij weet dat hij jou altijd mag bellen
Een andere belangrijke boodschap om mee te geven aan je zoon: “Als je ooit in zo'n situatie terechtkomt en je weet niet wat je moet doen: bel mij.” Ook om drie uur 's nachts. Ook als je gedronken hebt. Ook als je vrienden iets hebben gedaan wat niet oké is. Zelfs als je zélf iets hebt gedaan waar je spijt van hebt.
Dat betekent niet dat er geen gevolgen zijn. Het betekent wel dat hij weet dat hij op een moeilijk moment niet hoeft te kiezen tussen zwijgen en het helemaal alleen oplossen.
Dáár zit een belangrijk deel van de broodnodige verandering. We moeten niet alleen onze dochters leren hoe ze zich kunnen beschermen, maar ook onze zonen leren dat ze mee bepalen welke cultuur er in hun kleedkamer, op een feestje, in een studentenhuis of in die ene Snapchatgroep ontstaat. Ze moeten weten dat niet meedoen niet altijd genoeg is. En dat er soms maar één jongen nodig is die zegt: “Nee. Dit is niet oké.”
