De strijd met het vierkoppige monster: als je blijft twijfelen over een tweede kindje

  • door Gastmama

Een zonnige zomerdag. Een ideaal moment om ons onder te dompelen in de geneugten van de dierentuin. Terwijl ik met mijn zoon naar de neushoorns kijk, gebeurt het. Een zorgzame broer met een dreumes aan de hand passeert ons. En dan overvalt het me. Geheel Meurisse-gewijs druppelt het gevoel binnen: “moeten we er nog eentje maken?” Terwijl ik vorige maand nog met een negatieve zwangerschapstest in mijn handen stond, door een vergeten pil. En daar verbazingwekkend blij om was.

En plots zijn ze overal. Die zorgeloos glimlachende ouders met hun tweevoudige kroost, die liefst hand in hand lopen. Alsof ze een soort harmonieuze symbiose zijn die nooit met blokken naar elkaars hoofd gooien. Speeltuinen en dierentuinen zijn voor mij een soort vagevuur geworden. Want daar wringt nu het schoentje: aan mijn arm prijken niet twee, maar slechts één plakkerig kinderhandje. Het is niet eens zo dat manlief en ik geen kinderen meer kunnen krijgen. Ik wil me niet eens voorstellen hoe dat voelt. Nee, bij ons is het een ‘bewuste’ keuze. En toch ook weer niet.

Beslissing uit angst

Is iets een bewuste keuze als je een beslissing maakt uit angst? Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik het Spaans benauwd krijg van baby’s. Lief en schattig, dat wel. Maar ik herinner me vooral de hoeveelheid werk. En het gevoel geen minuut tijd te hebben voor mezelf. Uiteraard vond ik mijn zoon het schattigste wezen dat ooit voet zette op deze planeet. Maar ik ben ook heel erg blij dat hij nu een stoer kereltje van zes is.

Een guitig gezichtje met kuiltjes in de wangen en twee prachtige blauwe ogen kijken me aan. Hij is perfect. Maar om de een of andere reden toch niet voldoende om daar tevreden mee te zijn. Want nog zo’n eigenwijze kleuter zien opgroeien, dat zie ik wel helemaal zitten.

Door de zure appel bijten?

Moet ik gewoon door de zure appel bijten? “Het duurt maar drie jaar,” zeggen de voorstanders. Klopt. Het zijn drie tergend langzame jaren waarin ik niet eens vijf minuten alleen op het toilet kan zitten. Drie jaar ochtendlijk gehaast met babyspullen en luiertassen. En dat in combinatie met een ander kind, dat zes jaar lang mama voor zich alleen heeft gehad. Klinkt zeer aanlokkelijk. Maar ik weet ook dat die periode ooit stopt. En dat ik misschien spijt zal hebben dat ik niet heb doorgezet.

Ondertussen begint de wereld rond me vrolijk aan de tweede ronde. Alsof ze nooit door de hel van slapeloze nachten, middagdutjes en reflux gingen. En ik had niet eens een huilbaby. Mijn kind sliep op zes weken door en deed dutjes van vier uur. O ja, ik besef dat er nu een heel leger moeders me het liefst zou vermoorden. Maar net dat maakt de keuze moeilijker. Ik vond het nu al zwaar. Wat als ik straks een moeilijke baby op de wereld zet? Ik denk niet dat ik dat trek.

Voldoen aan de maatschappelijke norm

Manlief en de zoon zijn er al een tijdje uit. Zij vinden onze driekoppige eenheid prima. En toch achtervolgt een schuldgevoel me sinds zijn geboorte. Dat het niet hoort om één kind op de wereld te zetten. Dat je als moeder pas geslaagd bent als je er minstens twee uit perst. Met die gedachte sta ik op en ga ik slapen. En slik ik bij elke nieuwe zwangerschapsaankondiging of vierkoppige familiefoto. De oerdrang om te voldoen aan de maatschappelijke norm blijkt sterker dan ik dacht. Maar voorlopig trotseer ik dapper speeltuinen en babyborrels van nummer twee.

Tijd brengt raad, zeggen ze. En anders brengt hij sowieso uitsluitsel.
Daar ontsnapt niemand van ons aan…