DOSSIER: Do's and don'ts bij zindelijkheidstraining

Daar sta je dan. Het moet er eens van komen. Je hebt met veel bravoure het potje in huis gehaald in de hoop dat die groeiende peuter van jou voor eens en voor altijd van de luiers zal verlost zijn. Jouw peuter, die zich heer en meester waant, mag nu ook tonen dat hij/ zij al 'groot' is.

En laat ook dit weer een domein zijn waar je peuter het recht heeft om zelf over te beslissen. Er zijn namelijk drie domeinen waar je als ouder toch een beetje moet beroep doen op de goodwill van je lieve zoon of dochter: eten, slapen en, jawel, zindelijkheid.

Fases binnen continentie

Het continent worden verloopt in verschillende stadia:

  • Eerst is er de controle over de urine overdag.
  • Nadien volgt de controle over stoelgang overdag.
  • Dan zie je de controle over urine en stoelgang ’s nachts.

Vanaf 1 a 2 jaar wordt een kind zich bewust van zijn blaasgevoel. Op de leeftijd van 2 à 3 jaar kan een kind bewust starten met plassen en bewust ophouden. Vanaf 4 jaar kan eventueel al sprake zijn van continentie ’s nachts.

Starten met zindelijkheidstraining

In onze maatschappij wordt verwacht dat kinderen droog zijn op het moment dat ze naar school gaan. Vaak wordt dus rond de leeftijd van 2 jaar met toilettraining begonnen.

Om te kunnen starten met zindelijkheidstraining, moet echter aan een aantal voorwaarden voldaan zijn:

  • Er moet sprake zijn van een zekere mentale rijpheid. Zindelijk worden is een leerproces. Zolang je kind geen besef heeft van pipi en kaka heeft dit geen zin. Wanneer je forceert, heb je meer kans op weigering en afkeer.
  • Het kind moet over de juiste motorische vaardigheden beschikken en moet bewust spieren van de bekkenbodem kunnen opspannen.
  • Er mogen geen anatomische of neurologische afwijkingen aanwezig zijn.

Vaak zijn kinderen op de leeftijd van 2 jaar klaar voor zindelijkheidstraining en geven ze dit ook zelf aan. Wanneer een kindje om het potje vraagt en zich bewust is van wat pipi en kaka is, is het vaak wel klaar voor zindelijkheidstraining.

Elk kind is uniek en dit proces verloopt bij elk kind in een eigen tempo. Rekening houden met het tempo van het kind is hierbij de boodschap.

Tips voor een vlottere zindelijkheidstraining

  • Neem zelf voldoende tijd voor zindelijkheidstraining en geef het kind voldoende leermomenten. Een droogtraining op 14 dagen tijdens een paasvakantie is dus geen goed idee.
  • Start in de vertrouwde omgeving en introduceer het potje in de speel/leefwereld van je kind. Laat je kind ook zelf ontdekken waarvoor het dient.
  • Toon aan je kind dat mama en papa ook naar het toilet gaan. Een kind leert door jou te imiteren.
  • Maak gebruik van een eenvoudig potje (geen toeters en bellen) en zorg ervoor dat je kindje op zijn gemak zit.
  • Zorg ervoor dat het potje niet te laag is. Als het potje te laag is, kan een kind niet leegplassen en krijgt het gemakkelijker urineweginfecties. Het ideale potje groeit mee met het kind.
  • Laat je kind ook niet te vroeg op de grote WC-pot gaan of pas het toilet aan door bijvoorbeeld een verkleinbril en een voetbankje te gebruiken. Als een kind hangt in het toilet, kan het niet goed plassen.
  • De ideale zithouding op het toilet:
    • Ontspannen houding (bij een gespannen bekkenbodem plas je niet leeg)
    • Benen goed uit elkaar en de broek op de enkels
    • Voetjes gesteund (vb. op voetbankje)
    • Mooi recht en voldoende achteraan op het toilet zitten
  • Laat je kind de tijd nemen en blijf er eventueel bij als je merkt dat je kind dat vraagt.
  • Laat het kind niet meedrukken, maar zeg dat het de pipi gewoon mag laten lopen.
  • Zorg voor aangepaste kledij. Je kind moet zijn/haar broek zelf gemakkelijk aan en uit kunnen doen. Een jeansbroekje met een moeilijke knoop is geen goed idee.
  • Voldoende drinken is heel belangrijk. Om droog te kunnen worden moet het kind over een zekere blaascapaciteit beschikken. Deze kan zich alleen ontwikkelen als er voldoende gedronken wordt.
  • Ook wat gedronken wordt, heeft een invloed op de blaas. Let dus op met prik en suikerrijke drankjes zoals cola, Ice Tea en dergelijke.
  • Let vooral ’s avonds op met melkproducten, zoute of gesuikerde voeding. Deze voeding zorgt voor een hogere urineproductie en geeft dus meer kans op bedplassen.
  • Leer je kind correct de billen afkuisen: van voor naar achter.
  • Werk gerust met een beloningssysteem, bij pipi op het potje krijgt het dan bijvoorbeeld een sticker. Bestraf nooit ongelukjes, maar maak ze wel bespreekbaar. Leg de nadruk op het feit dat dit juist hoort bij het leerproces. Leg met je beloningssysteem geen druk op je kind. Merk je dat je kind daardoor stress krijgt, laat dit dan achterwege.

Wat kan er fout lopen bij de zindelijkheidstraining?

  • Het hanteren van te strikte hygiëne thuis kan ervoor zorgen dat het kind vies wordt van andere toiletten. Het kind is thuis vaak gewoon van in een paleis naar het toilet te mogen gaan, maar op school is dit meestal niet het geval. Vaak zijn kindjes daarom ook vies van andere toiletten.
  • Het kind krijgt geen tijd om naar het toilet te gaan door te korte pauzes op school of het niet mogen plassen tijdens de lessen. Als je je kind leert om snel te plassen, leer je het ook persen bij het plassen. Als je merkt dat dit een probleem vormt voor je kind, probeer dit dan op school bespreekbaar te maken.
  • Te vroeg starten met droogtraining zal ervoor zorgen dat dit uiteindelijk een zaak van lange adem zal worden.
  • Gehaast de droogtraining willen afhandelen is geen goede zaak. Eventjes snel droogtrainen tijdens de vakantie is dus geen goed idee.
  • Let ook op met vochtige doekjes: als ze alcohol bevatten, zijn ze niet geschikt voor kinderen. Dat geeft irritatie en zorgt ervoor dat een kind eerder gaat ophouden.

Merk je een probleem met de zindelijkheid, leg dan je 'project zindelijkheid' eventjes stil en start op een later moment opnieuw. Probeer problemen op school bespreekbaar te maken. Zorg er vooral voor dat het geen obsessie wordt. Door heel obsessief met zindelijkheid bezig te zijn, kom je met je kind in een negatieve spiraal terecht. Hou goed voor ogen dat bijna alle kinderen uiteindelijk zindelijk worden. Soms vergt het alleen wat meer tijd.

Vanaf wanneer mag je spreken van een probleem?

In volgende situaties mag je spreken van een probleem en ga je het best eens langs bij de huisarts of kinderarts:

  • Een kind is overdag niet zindelijk rond de leeftijd van (3)- 4 jaar
  • Een kind is ‘s nachts niet zindelijk rond de leeftijd van (6)-7 jaar
  • Er is sprake van het familiaal voorkomen van continentieproblemen. Continentieproblemen zijn erfelijk. Het kan goed zijn dit in het achterhoofd te houden als de zindelijkheidstraining langer duurt dan verwacht. 

Samengevat

Jij kan zorgen voor ideale condities waarin de zindelijkheidstraining kan plaatsvinden. Toch is het jouw kind dat beslist op welk moment het zindelijk wordt. Jij kan alleen toekijken en supporteren. Het is iets waarbij een kind succes kan ervaren en kan bevestigd worden. Laat je dus zeker niet verleiden tot een machtsstrijd, maar bevestig elk succes heel uitgebreid. Jij bent en blijft uiteindelijk de belangrijkste supporter in de ontwikkeling van je kind.