Een ongeluk zit in een klein hoekje

  • door Gastmama

De afgelopen maanden bleven we massaal met het gezin ‘in ons kot’. Dat is niet altijd evident geweest, zeker niet in tijden waarin mama en/of papa moesten thuiswerken terwijl de kinderen ook thuis waren. Logisch dus dat er in deze tijden soms wat soepeler wordt omgegaan met sommige afspraken en dat je als ouder je kinderen al eens vijf seconden uit het oog verliest (met één oog op je laptop en één oog op je kind een klant te woord staan is nu eenmaal niet zo evident). Toch is het belangrijk om alert te blijven op ongevallen. Mama Stefanie getuigt.   

11 augustus, 13u. Nietsvermoedend zijn we met z’n viertjes gezellig aan het lunchen. Na het eten zetten we een tekenfilm op voor de meisjes. Zo kunnen wij ook weer wat doen, want in Antwerpen is het tenslotte quarantaine en zijn we weer aangewezen op thuiswerk. Ik werk in de slaapkamer en Wim is bezig in huis.

Plots hoor ik Wim roepen met een toon in zijn stem die ik nog niet vaak eerder hoorde. "Schat!!! We moeten naar het ziekenhuis!!! Nuuuuu!!!!!”

Als ik beneden kom heeft Wim Barbara in zijn armen. Ze huilt en heeft bloed aan haar hoofd, handen en been. Instant shock. De wereld staat stil. En hij zou nog even blijven stilstaan.

"Wat is er gebeurd?“

”Ze is uit het raam gevallen.“

Blijkbaar was Barbara naar de kinderkamer geglipt en hoewel het raam daar altijd op kiepstand staat (met houten jaloezie voor) stond het nu voor een keer open om de hittegolf in ons huis weg te waaien. Er stond wel een vliegenraam in, maar net dat was bedrieglijk volgens mij. Ze had een wasmand omgekeerd aan het raam gezet (die heb ik achteraf zien staan) en zal naar buiten willen kijken hebben en gesteund hebben tegen het vliegenraam. Dat vliegenraam heeft gelost, het viel naar beneden en zij ook.

“We moeten nú vertrekken!”

Vol adrenaline maak ik een zak klaar, ik gooi er dingen in en vlieg achter het stuur. Achteraf gezien hadden we beter een ambulance gebeld, maar het zijn allemaal split second beslissingen op zo’n moment en je wil vooral overgaan tot actie. Toegekomen op de spoeddienst in Lier krijgen we de boodschap dat er maar één persoon mee mag o.w.v. Corona. Wie gaat er mee? Wim heeft haar vast maar ik voel me echt geroepen om te gaan. Ik kan dit echt niet meemaken van aan de zijlijn.

Olivia en Wim staan weer buiten. Olivia begrijpt er wederom niets van. Ditmaal met tranen. Ik zeg nog tegen Olivia: “het komt allemaal wel goed.” Maar eigenlijk weet ik dat ik dat niet kan beloven.

Eens binnen moeten we wachten in een wachtzaal. Tot ik in haar gezichtje zie dat ze stuiptrekkingen krijgt. Een aanval van iets. Niemand in de buurt. Achter mijn bezweet masker roep ik het uit. “Kan er iemand komen? Nuu!” Zonder Barbara schrik aan te willen jagen, maar dat is toch al te laat denk ik. Een verpleger komt eraan. Zijn gezicht spreekt boekdelen.

We gaan een kamer binnen en leggen haar op een bedje. Een minuut later staan er acht mensen in de kamer. Alle hens aan dek. Infuus voor vocht, bloed afnemen, een ander infuus voor pijnstilling, extra zuurstof... Er wordt bijna meteen naar het UZA gebeld. Of ze meteen mogen komen. Er is een kind van drie uit een raam gevallen en ze is epileptisch. Mijn hart breekt. Gaat dat over MIJN kind?

Ze wordt meteen klaargemaakt voor de rit met de ambulance. Gespalkt van kop tot teen. Ze vrezen neurologische schade en dan is het van cruciaal belang dat het lichaam onbeweeglijk wordt gemaakt. Ze stellen mij allemaal vragen en ik heb het gevoel dat ze in slow-motion praten. Of ze bewusteloos is geweest? “Neen.” Eindelijk een blik van opluchting bij de arts. Tussen alles door fluister ik de hele tijd in Barbara haar oor: “Alles komt goed, mama is hier, jij bent zo flink, waauw jij doet dat zo goed, alles komt goed, mama is hier!” Gelukkig helpt het, telkens als ze mij ziet of als ze mij hoort wordt ze ook rustiger.

De brancard is er, met acht verleggen ze haar. Ik loop naast haar terwijl de brancard naar de ambulance wordt gereden. Daar gaan we. Ik mag naast haar zitten in de auto. Ik stort in, een zee van tranen. “Dat is heavy hé mama, maar ze is in goede handen,” wordt mij gezegd. Ik herpak mij, want het gevaar is nog verre van geweken. Ze stuipt weer in haar gezicht. Ze wordt nauwgezet in de gaten gehouden. De sirene loeit en we vliegen vooruit.

Ik krijg een briefing van wat er staat te gebeuren in het UZA en wat de status is van mijn dochter. Ze vrezen een hersenbloeding. Die zijn er in alle maten en vormen dus moeilijk te zeggen hoe erg het gesteld is. Misschien moet ze geopereerd worden. Ze maken dan een kleine incisie in de schedel en zo stoppen ze de bloeding, zo wordt mij verteld. “Verschiet niet, het kan wat overweldigend zijn als we aankomen.”

Eens aangekomen is het opnieuw alle hens aan dek. Een team staat klaar in. Ze zijn makkelijk met 15. Ik mag niet binnen maar de dubbele deuren mogen openblijven en ik word op een stoel gezet en mag vanop afstand kijken. Ik stort in, deel 2. Een spoedarts komt bij mij staan en ontfermt zich over mij. Ze vertelt me de hele tijd wat ze aan het doen zijn. Elk geruststellend feit benadrukt ze. De eerste observaties zijn voorzichtig positief.

Het wordt stil, één iemand neemt het woord en noemt alle medische vaststellingen één voor één op. Iedereen noteert. Hij concludeert met “Dus we beslissen nu dat ze naar de CT-scan gaat? Iedereen akkoord?” Ja, iedereen akkoord. Ik mag deze keer niet mee.

Barbara kreeg al “iets om haar te kalmeren” en slaapt. Ik word naar een klein kamertje zonder ramen gebracht, er staat enkel een tafel met 4 stoelen. “Zodra we meer weten, komen we je halen. Zal ik iemand van de psychosociale dienst halen om bij u te blijven?” “Neen dank u,” zeg ik, “even alleen zijn zou ik fijner vinden.” Ik stort in, deel 3.

Nude papa op de hoogte brengen. In stilte staren naar de muren. Ademhalingsoefeningen doen. Wachten. Wachten.

De arts komt binnen. Ze heeft geen hersenbloeding!!! Wat. Een. Opluchting. Ze hebben haar hele lijfje gescand en er is geen enkele interne bloeding. Er is wel en hele kleine botbeschadiging op haar voorhoofd, die voor zwelling zorgt en die waarschijnlijk de epileptische aanvallen in gang zet. “Maar dat is het minste”, benadrukt de arts, “zolang het maar geen hersenbloeding is. Je mag weer meekomen, ze is stilaan aan het ontwaken.”

Daar ligt ze, in dezelfde zaal van de briefing van daarnet. Zodra ze me ziet, huilt ze. Ik ga naar haar toe en ze strekt haar armen uit en legt ze rond mijn nek. Ik stort in, deel 4. We kunnen mijn masker ondertussen bijna uitwringen. Ze wil dat ik haar oppak. Oh wat zou ik dat ook graag willen! “En zullen we dan samen vetrekken naar huis?” Maar dat kan niet. Uiteraard.

Ze wordt nog steeds geobserveerd door zes mensen in de ruimte en de neuropediater houdt haar hoofdje vast. Aan hoe ze zich met mij gedraagt zien ze dat het eigenlijk wel goed met haar gaat. Als ik haar vragen stel kan ze ja of nee antwoorden. “Mama, kan je eens een liedje zingen voor haar? Dan kunnen we eens zien hoe ze daarop reageert. “ Ik ga ervoor. Twinkle twinkle kleine ster. Ik wil weer huilen maar ik onderdruk het. De observatie, de observatie.

Het gaat goed. Ze wordt rustig en communiceert met mij. Heel groggy maar toch ik begrijp haar, en zij mij. Ik haal haar konijn en haar dekentje. Ze kijkt opgelucht naar mij. Konijn is hier ook! Ik zie hoe belangrijk dat voor haar is. Ik stop haar onder haar dekentje en we maken het gezellig in die gigantische zaal op de spoed in volle spotlight, inclusief publiek.

Ze mag naar intensieve. Het spoedgedeelte is voorbij. Op intensieve word ik weer in een wachtzaal gezet. “Ze gaan haar goed verzorgen en installeren en dan komen we je halen.” Een uur later komt de spoedarts. “Het gaat goed met haar, wat ik observeer is heel geruststellend” Ze legt haar handen (met latex handschoenen uiteraard) op mijn schouders en zegt. “Niet te boos zijn op jezelf, mama, dit kan gebeuren” Ik stort in, deel 5.

Wanneer ik in haar kamer kom op intensieve, hetzelfde tafereel. Ze reikt haar handen uit om mij te knuffelen. Ze ziet er helemaal opgeknapt uit en ze heeft al een band met de verpleegsters.

“Wat is ze flink geweest, mama, ongelooflijk”

“Mag ik hier overnachten?” “Natuurlijk!” Godzijdank. Er hangt een tv’tje en ze kijkt naar Paw Patrol. “Als ze al tv kan kijken, dan komt het helemaal goed”, zegt Katja de verpleegster. Er komt voor het eerst een vleugje humor bij kijken en dat doet ongelooflijk veel deugd. Ik krijg een koffie en iedereen gaat de kamer uit. Zij valt in slaap, ik drink mijn koffie. Ik stort niet in, want ik heb hoop, hoop dat het ergste voorbij is.