Het kind een naam geven

Ik kijk naar mijn vrouw. Mijn vrouw kijkt terug. We zitten allebei met een laptop op onze schoot in onze zetel. Voor ons zien we lijstjes met namen. Duizelingwekkend veel namen.

Om de beurt spreken we er een uit. Heel traag. De ene keer onzeker, de andere keer gedecideerd. Alsof we de naam savoureren zoals je wijn proeft. Enkele tellen later spuwen we hem opnieuw uit. We wisselen een blik en weten: ook dit is ‘m niet.

Soms is er een eureka-moment. Om dan niet veel later terug te keren op onze stappen. De naam smaakt toch niet zoals een naam hoort te smaken. We spuwen hem uit. De blik dan maar opnieuw op ons scherm gericht om te verzuipen in moerassen met lijstjes.

Ach, we kunnen er om lachen. Maar hoe langer het zoeken duurt, hoe zuurder we lachen. We overwegen om de letters van het alfabet in een grabbelzakje te doen. Je neemt er enkele willekeurig uit en vormt een naam. We scrabbelen met onmogelijke namen. Het blijkt geen goed idee. Tenzij je fan bent van Russische namen of ‘Temptation Island toestanden’.

We kwamen al tot een eigen voorkeurslijstje met enkele kanshebbers. Ze werden gerangschikt, geschrapt, door elkaar gezet en opnieuw gerangschikt.

Het is een wielerwedstrijd met voornamen die demarreren maar dan weer stil vallen, genadeloos uit koers worden genomen maar toch weer glorieus weten terug te komen. De winnaar is misschien zelfs nog niet gestart. De wedstrijdjury blinkt uit in amateurisme, van objectiviteit ontbreekt elk spoor. En ondertussen tikt de wedstrijdklok verder.

Het kind moet straks een naam hebben. Da’s een feit. En bij voorkeur een mooie naam. Toegegeven, we zijn kieskeurig. Het mag geen naam zijn die je overal hoort en tegelijkertijd geen naam zijn die je nog nooit hoorde. Hij moet blijven hangen en eenvoudig uit te spreken zijn.

Maar zeg mij een naam en de vreemdste associaties schieten mij te binnen. Verdrongen herinneringen met ex-lieven en oud-klasgenoten die al lang weg waren uit onze gedachten borrelen naar boven. ‘t Is psychologie voor gevorderden, Freud zou er een vette kluif aan hebben.

We kiezen op basis van schrapping. Een naam niet mooi vinden is nu eenmaal eenvoudiger dan een naam wél mooi vinden. Er is gelukkig één iets wat we zeker weten, onze houvast: het is een jongensnaam. En even ter info: we hebben al een dochter. Dus bij voorkeur gaan de namen mooi samen. Bij elke potentiële naam oefenen we alvast: ‘Mijn kinderen? Wel, die heten Lena en y.’

Oh ja, nog een beslissingscriteria: de familienaam. Je wilt geen allitererende tongbreker: Jan Jansens. Met initialen moet je ook al oppassen: Sven Saelens. Of gênante combinaties: Piet Uytenbroeck. Ik zweer het je: een familienaam is een mijnenveld van potentiële woordspelingen die hem zijn hele leven achtervolgen.

Ook de cadans is belangrijk. De klanken moet in elkaar overvloeien. De naam moet blijven hangen wanneer die weerklinkt in een vol auditorium tijdens zijn diploma-uitreiking binnen 24 jaar. Aanwezigen zullen mekaar aantikken en fluisteren ‘Hoor, dat is nu eens een mooie naam.’

Maar de naam moet ook kordaat klinken. Zodat je, wanneer je boos bent, hem kan roepen. Een krachtige ademstoot die aankomt. Een punch die orde op zaken stelt. Enkel gevolgd door een slaapkamerdeur die hard toeslaat terwijl de naam nog nagalmt in de gang boven.

En pas op met roepnamen. Frederik wordt Freddy, Matthias wordt Matti, Maxim wordt Max. Da’s hoe zijn vrienden hem zullen noemen.

Een naam is de start van alles maar voor ons voelt het bijna als een finish.

Tot plots…

Wat dacht je van ‘z?!’ roept mijn vrouw uit het niets. ‘Daar zit iets in,’ antwoord ik.

Maar dan… Een valpartij. De naam valt uit want ik bedenk mij plots: ‘Of nee wacht, zo noemde die pestkop in het derde leerjaar.’

 

Deze blog verscheen hier al eerder.