Mijn mooiste moment van de dag

De drukte van de dag weegt als lood op mijn schouders. Ik ben kapot. Na een moment in de zetel valt het doek. Ik dommel weg in een roes. 

Na een tijdje schiet ik wakker. Mijn man is ondertussen ook gesneuveld voor het vaderland. Het is gelukkig pas 22 uur. Ik haal opgelucht adem: het is een mooi uur om naar bed te gaan. Toch voelt het alsof ik nu een berg moet beklimmen. Ik sta aan de voet en de top is onbereikbaar ver. Ik moet al mijn moed verzamelen om door te gaan. Om mij te verzetten tegen elk vezeltje slaap in mijn lichaam. Ik moet gewoon uit die zetel. Het moet.

Ik sta recht en doe mijn avondritueel. Slaapdronken poets ik mijn tanden, stop ik mijn pittenkussen in de microgolfoven, doe ik een pitstop bij het toilet, zet ik de tv uit, draai de verwarming op een laag pitje, ga nog even naar de wasmachine en de droogkast, maak mijn man wakker en dan…

Ze hebben van mij een mama gemaakt

Dan ga ik naar boven. Naar de slaapkamer van de kinderen.

Heel voorzichtig open ik de deur. Mijn twee wondertjes liggen hierachter. Ze kiezen ervoor om samen op de kamer te slapen. De kamer van de oudste ligt er meestal eenzaam en verlaten bij. Ze huizen veel liever samen in de kamer van de jongste.

Het licht vanop de gang komt even piepen in de kamer. Mijn hart slaat telkens een slagje over wanneer ik hun ‘slaapgeluidjes’ kan vaststellen. De oudste ligt weer dwars in zijn tweepersoonsbed, zonder deken. Ik probeer hem zachtjes op het kussen te leggen en dek hem nog eens goed toe. Hij verzucht zijn ‘dank-u-wel-zucht’. Hij kruipt diep in zijn nestje en slaapt verder.

Dan ga ik naar de jongste. Hij zit op zijn knieën boven zijn dekbed. Het ziet er allesbehalve comfortabel uit. Ik til hem voorzichtig op zijn kussen en stop hem nog eens goed onder. Ook hij zucht diep. Ik blijf nog heel even staren. Dan ga ik naar de gang. In het zwakke licht van de gang gluur ik nog heel even en dan doe ik de deur tegen aan.

Daar is het dan. Mijn mooiste moment van de dag. Mijn hart wordt er letterlijk warm van. Ik besef dat die twee engeltjes achter de deur mijn engeltjes zijn. Dat die twee het mooiste cadeau zijn dat ik ooit kreeg.

Dat ze van mij een mama gemaakt hebben.

Dat ze een droom vervulden, zonder het te beseffen en zonder dat ik besefte wat het zou inhouden. Daarmee kan ik verder. Het is mijn drive om door te gaan, telkens opnieuw.

Wanneer ik dan voorzichtig de trap naar beneden neem om me in mijn eigen bed te nestelen, gloei ik nog even na. Tegelijk weet ik weer dat het zal moeilijk worden om ze ooit los te laten. Ik mag er nog niet aan denken dat er ooit een dag komt dat ik ze niet meer zal toedekken.

Ik wens dat ze dat zelf ooit mogen ervaren. En in die gedachtegang vind ik meestal mijn slaap.