De prijs die mijn kleuter betaalt om zichzelf te mogen zijn

Mijn zoon is vier. Net zoals elke andere kleuter van die leeftijd kijkt hij op naar zijn grote zus. Zijn papa is zijn held en met zijn mama wil hij trouwen. Hij vindt het lange haar van zus prachtig en speelt graag met mama’s krullen. Zoals elke andere kleuter houdt hij van glitter en slijm. Van glitterslijm gaat hij helemaal uit zijn dak.

Hij zegt dat ik de mooiste ben met een poep zo dik als een olifant. Dat is een compliment, want een olifant is zijn allerliefste lievelingsdier. Als zijn zus huppelt, huppelt hij haar achterna. Als ik make-up aandoe, wil hij net als zijn zus ook eens proberen.

Hij. Is. Vier.

Volgens vrienden van mijn leeftijd (neen, géén holbewoners) is er iets ernstig mis met de manier waarop ik mijn zoon zichzelf laat zijn. Ik ‘maak er een homootje van’. (“Homo’s boetseren”: nieuwe hobby, iemand?)

Anderen – ook geboren in de jaren ’80 – (neen, niet in Saudi-Arabië) vragen hem bezorgd of hij ‘niet blij is met zijn pietje?’ (WTF?). En het aantal mensen dat hem ooit al eens gezegd heeft dat ‘lang haar voor meisjes is’ en ‘jongens geen rokjes dragen’ kan ik al lang niet meer tellen op de vingers van twee handen.

Die reacties frustreren, maar verbazen mij niet. We leven immers in een maatschappij waar ‘homo’ een scheldwoord is.

Wat wel mijn hart breekt, is het verhaal waarmee mijn zoon gisteren thuiskwam.

Wat er gisteren gebeurde

Dolgelukkig vertrok hij ‘s morgens mét een rokje naar school. Het was de derde keer dit schooljaar. Ik had geen briefje geschreven voor de juf omdat ik niet vind dat dat moet. Hij was uitgelaten en paradeerde trots in zijn vrolijke outfit. Dat doet hij ook als hij een nieuwe trui of jas aanheeft. Ik zag een gelukkige kleuter.

Toen hij ’s avonds thuiskwam had hij een pleister op zijn knie. Hij vertelde dat hij te snel had gelopen en was gestruikeld.

Deze ochtend liet ik hem zoals steeds zelf zijn kleren aandoen. Het rokje hing netjes aan het haakje waar hij (lees: ik) het gisterenavond had opgehangen. Hij stak het terug in de kast en nam er een lange broek uit. Toen ik hem vroeg waarom hij dat deed, zei hij:

‘De kindjes hebben mij uitgelachen.’
‘Dat is niet lief. Welke kindjes hebben dat gedaan?’
‘De kindjes van de derde kleuterklas.’
‘Wanneer hebben ze dat gedaan?’
‘In de eetzaal. En ook tijdens de kleine speeltijd. Ze kwamen in een grote kring staan.’
‘En wat deed je dan?’
‘Blijven staan.’
‘Hebben ze jou pijn gedaan?’
‘Neen.’
‘Wat is er dan gebeurd?’
‘Ze lachten. Dan ben ik hard weggelopen. En dan ben ik gestruikeld.’

Iedere vezel van mijn lijf huilt

Vindt u dat mijn kind dat zélf heeft gezocht? Of dat het de schuld van zijn moeder is die hem – godbetert – zijn eigen kleren laat kiezen? Dat zijn moeder zich moet aanpassen aan de bedroevende stereotypen die de maatschappij ons oplegt?

Want – breaking news – die kindjes uit de derde kleuterklas zijn níet geboren met het idee dat jongens geen rokjes horen te dragen. Die kindjes krijgen dat érgens in hun eerste vijf levensjaren te horen. Niet af en toe eens, maar iedere keer ze iemand horen zeggen dat iets ‘enkel voor jongens’ of ‘speciaal voor meisjes’ is.

Dus legt mijn zoon het rokje waarin hij zo gelukkig rondhuppelde terug in de kast. Hij heeft geleerd dat hij bij de kudde moet horen als hij geen pijn wil hebben.

En nu huilt iedere vezel van mijn lijf. Laat ik mijn kind zichzelf zijn en gekwetst worden? Of laat ik hem meelopen en buiten schot blijven? Wat is de prijs die hij zal moeten betalen om zichzelf te mogen zijn?