Een papa biecht op: het is niet omdat ik 's nachts opsta dat ik lof verdien

  • door Mamabaas

Hij verwachtte dat zijn vrouw het met hem eens zou zijn, maar dat deed ze niet. In de plaats daarvan zei ze: ‘Ik wou dat je stopte met dat te zeggen.’ De context was de volgende: Mel, de vrouw van de blogger, was een bijna voltijdse studente, een moeder van drie kinderen en geëngageerd als vrijwilliger op de school van ...

Druk op haar schouders was groot

Hij verwachtte dat zijn vrouw het met hem eens zou zijn, maar dat deed ze niet. In de plaats daarvan zei ze: ‘Ik wou dat je stopte met dat te zeggen.’

De context was de volgende: Mel, de vrouw van de blogger, was een bijna voltijdse studente, een moeder van drie kinderen en geëngageerd als vrijwilliger op de school van haar kinderen. Studeren deed ze aan de keukentafel terwijl er minstens 1 kind aan haar broek of rok stond te trekken.

'(...) Hoeveel ik ook meehielp, ze merkte toch vaak op hoe groot de druk voor haar was om het huis schoon te houden, en, niet te vergeten, om de kinderen naar de dokter te brengen, maaltijden te koken, de kinderen naar hun sportieve en andere buitenschoolse activiteiten te brengen, hen proper en gezond te houden, en hun gedrag in goede banen te leiden in het openbaar', zo schrijft Edwards. 'Ze was een studente en een moeder, en toch ervaarde ze een enorme druk de enige verzorger van onze kinderen te zijn. En daar deed ik nu een schep bovenop door mijn hulp ’s nachts als bijzonder te beschouwen, alsof het een of ander gul verlengstuk was van mijn rol als vader.'

'Maar ik ben toch een goede vent?'

'Natuurlijk dacht ik op dat moment niet na over ook maar één van deze bovengenoemde dingen. Wat ik tegen haar had gezegd was mijn manier om haar attent te maken op mijn bijdrage in ons huwelijk. Als vader heb ik vaak het gevoel dat ik het klassieke patroon doorbreek, omdat ik echt wel meehelp in het huishouden. Als ik thuiskom van mijn werk, maak ik schoon; ik sta op ’s nachts en doe verschillende andere dingen om van ons huwelijk een partnerschap te maken. Maar om de één of andere reden had ik het gevoel dat ik speciale aandacht moest krijgen terwijl ik dingen deed die al zo lang beschouwd worden als taken van de moeder.'

Edwards begreep aanvankelijk de negatieve reactie van zijn vrouw niet.

'Ik pauzeerde een moment, nam een stap terug, en zei: "Waarom? Ik bedoel, het is waar. Ik doe heel wat dingen die andere vaders niet doen. Ik ben een goede vent." Mel stond nu recht met de baby in haar armen. De oudste twee kinderen waren aan het slapen, dus fluisterden we. "Omdat het me niet het gevoel geeft dat we in een partnerschap zitten. Het geeft me het gevoel dat ik elke keer als je ’s nachts opstaat je kont moet kussen. Terwijl dit ook jouw baby is."'

De discussie gaat nog een tijdje verder, en zijn vrouw probeert hem duidelijk te maken dat ze al zijn inspanningen enorm waardeert, maar dat ze het haat dat hij elke keer doet alsof hij iets geweldigs heeft gedaan, terwijl hij eigenlijk gewoon deed wat een vader zou moeten doen.  

Ik at daar toch ook?

Edwards vertrok boos naar zijn werk. 'Ik wou haar een lijst geven met andere vaders die we kennen, familie en vrienden, die nog altijd ouderwetse gedachten hadden over de rolverdeling.' 

Maar dan kwam de klik.

'Ik had al 20 minuten gereden toen ik begon na te denken over wanneer ik de laatste keer de afwas had gedaan. Ik ging ervan uit dat ik daarvoor lof of een beloning moest krijgen, en voor de eerste keer stelde ik mezelf de vraag: Waarom? Ik at daar toch ook? Daarna dacht ik na over het tapijt stofzuigen of de was doen en ik realiseerde me dat ik dezelfde erkenning verwachtte voor die klusjes. Opeens voelde ik me een eikel. Het concept dat Mel verantwoordelijk was voor het huishouden en de kinderzorg zat zo diep in mijn begrip over familie en een bijdrage leveren ingeworteld dat ik mezelf op een voetstuk plaatste voor iets eenvoudigs, zoals mijn vrouw ’s nachts helpen met onze baby. (...) 

Ik belde Mel vanop het werk en vertelde haar dat het me speet. ‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Dit is een partnerschap, en ik moet niet doen alsof ik iets geweldigs doe omdat ik opsta ’s nachts. Ik ga ermee stoppen. 

Mel was even stil. Toen zei ze, ‘Dank je.’