Ik ben als vader herboren en blijf vader tot ik sterf

  • door Papa

Ik ben al drie-en-een-half jaar papa vandaag. Dat zijn vier vaderdagen (ééntje avant la lettre), vijf verjaardagsfeestjes, twee legendarische babyborrels, zevenenzestig doktersbezoeken, twee keer naar de spoedafdeling van het Jan Palfijnziekenhuis, tweehonderdvierenveertig slechte nachten, maar ook meer dan vijfhonderd goeie.

Sinds ik vader ben, gluur ik naar mijn kroost voor het slapen gaan. Opperste geluk om zo’n kleine wezentjes in diepe slaap te zien. Voeding voor de ziel, nectar voor mijn gemoed. Elke huilbui, elke zorg, elk kapot boek is het waard. Die slapende lijfjes die vrede op aard prediken.

De glimlach op het gezicht van één van mijn twee zonen als ze me ’s ochtends begroeten. Alsof ik jaren ben weggeweest, alsof ze de Sint in hoogsteigen persoon ontvangen in hun nieuwe dag.

Uiteraard is er een leven vóór, en een leven na, dat cliché klopt als een overactieve specht. Vanaf de eerste kreetjes van mijn oudste jongetje voelde ik me verweesd. Alleen, en toch nooit meer alleen. Onzeker, en barstend van zelfvertrouwen. De emoties die zijn eerste kreet hebben teweeg gebracht, zijn overdonderend tegenstrijdig en mooi.

Ik zou de beste papa worden van de wereld, en alles doen zoals het hoort. Mijn kind zou opgroeien in liefde, groter dan welke liefde dan ook. Want opeens ben je vader, en niet meer de belangrijkste persoon in je eigen leven. De verpletterende verantwoordelijkheid: dat kleine wezentje komt uit mij en mijn vriendin. Hulpeloos in het leven geworpen, en volledig afhankelijk van ons.

Een mens wordt anders vanaf dat moment. Bezorgder, want je wil dat jouw kind vrolijk is, gezond en alle kansen krijgt die het verdient. Relativerender, want géén reis naar een ver land is mooier dan de aanblik van je eigen zoon. Zelfzekerder, want vaders krijgen een hele persoonlijkheid bovenop diegene er al was. Een extra rol, die door iedereen wordt gewaardeerd.

Mensen gaan je anders bekijken. Je hulpeloze kleintje krijgt blikken van vertedering, de papa krijgt blikken van trots. Alsof iedereen me wilde zeggen hoe goed ik dat wezen had gemaakt, terwijl ik an sich niet echt veel heb moeten doen, tenzij een keuze maken en enkele goede zaadcellen op de juiste plek krijgen. Ondertussen zijn we drie-en-een-half jaar verder, en dat gevoel blijft overeind. Mensen behandelen me als persoon, maar ook als vader. Alsof ik meer waard ben omdat mijn kinderen zo mooi en grappig zijn.

Uiteraard zijn er in die drie jaar principes gesneuveld. Bumba deed zijn intrede vanaf de zesde maand (we hadden elkaar beloofd géén Studio 100, enkel educatieve, kwalitatieve tekenfilms), en onze televisie is een vaste babysitter geworden op momenten dat het even te veel is. Er zijn dagen dat ze naast snoep ook een ijsje krijgen, na hun derde koek. We eten heus niet elke dag vers, en frietjes op zondag is een nieuwe traditie geworden in ons gezin (zo lekker makkelijk, en ze zijn meer dan een half uur muisstil bezig met het doppen van dezelfde friet in hun potje mayonaise).

Dat maakt het ook mooi, het spelen met principes, het soepel omgaan met tradities. Want voor hen, en voor ons, is het leven een spel. Een mooi spel, waar we allemaal winnen, no matter what.

Ik ging er altijd vanuit dat ik enkel tevreden mocht zijn met kinderen die volledig oprecht zijn, het hart op de juiste plek hebben, en overal en altijd hun best doen voor zichzelf en voor hun medemens. Ook dat heb ik laten varen. Wat of wie ze ook worden, ze blijven de mijnen. Mijn jongens. Ik zal altijd trots zijn op hen, of ze nu een nobelprijs winnen of al hun geld verspelen in de beurs, dat maakt niet uit.

Ik ben als vader herboren, en blijf vader tot ik sterf. En die gedachte, dat gevoel, maakt mij een beter mens.