Ik kreeg kanker in mijn kindertijd

Ik kom uit een groot gezin met vier kinderen. Mijn mama en papa zijn al jaren gelukkig getrouwd. We hadden zo onze problemen maar we waren een geweldig gezin met heel veel warmte en liefde. Mijn ouders zouden voor al hun kinderen door het vuur gaan. Ik heb dit altijd vanzelfsprekend gevonden, maar later ben ik beginnen beseffen dat lang niet elk kind het zo goed heeft. Niet elk kind heeft een warme en liefdevolle thuis. Ik had heel veel geluk.

Tot ik ineens buikpijn kreeg. Een enorme zware druk in mijn buik, moeilijk te beschrijven. Mijn mama ging met me bij de huisarts. Ik werd onderzocht, maar er werd niets gevonden. De dokter ging ervanuit dat ik misschien niet veel zin had om naar school te gaan.

Mijn mama vond dat een vreemde bevinding want ik was altijd een heel vrolijk kind dat met een grote glimlach over school en vriendjes vertelde. Ook ging ik naar de tekenacademie op woensdagnamiddag, waar ik net als papa mijn tekentalent wou ontdekken. Jammer genoeg viel er niet veel te ontdekken. Tekentalent heb ik blijkbaar niet geërfd.

Mijn ouders wilden een tweede opinie dus namen ze me mee naar een kinderarts. Ook zij kon niets vinden, maar ze stelde voor om voor de zekerheid toch maar een echo te doen. Een aantal dagen later hadden ze op de echo iets verontrustend gevonden. Toch nog maar een scan om een beter en duidelijker beeld te krijgen.

Een aantal dagen later zaten we terug bij de kinderarts. Ik begreep er helemaal niets van, er vielen een aantal voor mij toen nog onbekende termen en mijn ouders leken overstuur. In de wagen op weg naar huis stroomden er tranen over mijn ouders’ wangen. ‘Mama, waarom huil je?’ Geen reactie. Er zat een stout beest in mijn buik en de dokters zouden het weghalen in het ziekenhuis.

Een aantal dagen later was het zover. Ik kwam aan in het UZ Gent, toen grote immense gebouwen. De kamer waar ik werd heen gebracht lag op een afdeling met vele andere kindjes. Ik moest lachen: ‘Waarom hebben deze kindjes geen haar, mama? Zo grappig!’ Mijn ouders keken verontrust, weer geen reactie. Mijn kamer bestond uit glazen muren. Ik kon zo het andere kindje in het bedje naast mijn kamer zien liggen. Hij had geen haar! Hij zag er wel maar ziek uit. Hoe het met dat jongentje toen is afgelopen weet ik niet.   

De dag van de operatie werd ik naar een vreemde kamer gebracht met vele machines en grappige meneertjes en mevrouwtjes met groene pakken aan. Ze kleefden plakkertjes op mijn favoriete teddybeer en vervolgens ook op mij. Ik kreeg een masker op en moest tellen. Daarna weet ik niets meer…

Ik werd wakker en had dorst. Er zat een vervelend buisje in mij: “Het moet weg! Het doet pijn! Ik heb dorst!” Ik hoorde andere stemmen naast me, achter me, voor me. Ik hoorde machines. Mensen in vreemde pakken kwamen voorbij. Het leek uren te duren.

De dagen na de operatie, kreeg ik veel cadeautjes. Het bezoek zelf vond ik maar vervelend, maar de cadeautjes vond ik best wel fijn. Alle kindjes waren jaloers, ook nichtjes die op bezoek kwamen. Ik had namelijk veel nieuw en mooi speelgoed. Als ze me deden lachen, had ik pijn. Als ze op mijn bed kwamen zitten, had ik pijn. Na een aantal intense dagen mocht ik naar huis. Het grote beest was weg en had geen andere beestjes achtergelaten.

Er moest geen verdere therapie volgen, wat dat ook mag betekenen. Wel moest ik iedere week een volledige dag naar het ziekenhuis om na te kijken of er toch nergens beestjes waren te bespeuren. Uren wachten in de wachtzaal, verpleegsters die andere verpleegsters riepen omdat ik moeilijke aders had. Wachten om onder een luidruchtige machine te moeten gaan liggen. Die machine vond ik echt vervelend. Eerst moest er vloeistof in mijn arm worden gespoten, dit voelde warm aan, en eens onder de machine moest ik mijn adem inhouden en stilliggen, vooral heel goed stilliggen.

Het werd iedere week een vast stramien. Eerst naar het ene gebouw om bloed te prikken. Verpleegsters die vloeken en roepen omdat het niet goed lukt. Nadien naar de echo.  Eerst veel water drinken, broek uit en koude vloeistof op mijn buik en mama en de dokter die naar een scherm staren. Nadien naar die lastige lawaaierige machine. Als laatste moest ik bij een dokter. Die dokter met haar lange haar en bril met haar lange witte jas was altijd veel aan het praten. Elke keer op de weegschaal, meten, en opnieuw kleertjes uit om aan mijn buik en andere dingen te voelen. In de tussentijd altijd lang wachten in saaie wachtzalen. Zo vervelend.

Na een lange dag in het ziekenhuis met mama en papa aten we frietjes van de frituur. Een leuke afsluiter van een heel vervelende dag. Toen dacht ik dat dit was om me een plezier te doen. Deels waar, maar uiteraard ook uit gemak aangezien mijn ouders op zo’n dag amper tijd hadden om iets anders te doen. Ook mijn zussen en jongere broer hadden nog aandacht nodig.

Mijn zus met wie ik vroeger ruzie maakte, was ineens de liefste zus op aarde. Wat was ik een gelukzak. Zo graag gezien door vele mensen. De grote biefstuk (zoals de dokters het soms noemden) weg uit mijn buik, een eierstok minder, maar des te meer liefde.

De kanker bleef weg, maar de schrik in mama en papa hun ogen was bij elk ziekenhuisbezoek zichtbaar aanwezig.

Elke keer als ik me minder goed voelde of buikpijn had, was ik bang. Aan mama en papa durfde ik dat niet te vertellen, want dan zouden ze terug verdrietig en bang zijn. Ik moest en zou sterk zijn. Dat was ik ook, jaren aan een stuk. Ik werd veel sneller volwassen dan mijn klasgenootjes.