Over kwaad worden en daar spijt van hebben

  • door Gastpapa

Kwaad worden, zo is mij altijd geleerd, is een teken van zwakte. Het signaleert controleverlies, van jezelf of van de situatie, en moet zoveel mogelijk vermeden worden. Net als de meeste jonge ouders, of dat denk ik toch graag, had ik me voorgenomen om zo min mogelijk kwaad te worden op mijn kinderen. Oh, er zou streng toegesproken worden, natuurlijk, en de teleurstelling zou al eens van mijn stem druipen, dat zeker. Maar echt kwaad, nee, dat niet. Het is zo niet uitgedraaid, en daarin stel ik mezelf wel wat teleur.

De keren dat mijn eigen ouders kwaad waren op mij, écht kwaad, zijn volgens mij op één hand te tellen. De vergelijking gaat waarschijnlijk niet op, omdat ik zelf amper nog iets herinner van de leeftijd waarop mijn zoontje zich nu bevindt, maar ik heb het gevoel dat ik al héél vaak kwaad ben geweest op hem. Écht kwaad.

Die momenten zijn meestal de culminatie van een lange dag, waarbij ouder en kind stelselmatig ruwer tegen elkaar aan beginnen te schuren, iedereen moe wordt en niemand nog rek heeft op hun geduld. Maar ook al zet ik het hier uiteen als waren we twee partijen in evenwicht, ik blijf natuurlijk de ouder en mijn zoontje is nog steeds een kleuter.

Het was weer zover

Vannacht was het weer zover, toen hij op een ongoddelijk uur telkens opnieuw rechtstond in zijn bed en mij uit het mijne riep. Dan slofte ik naar boven voor water, het goedleggen van het dekentje en een kusje of vijf, telkens opnieuw. Tot ik de vierde keer afsloot met een streng “En nu is het genoeg en gaan we echt slapen”, wat beantwoord werd met “Nee!”

Zijn vrolijkheid verzon ik er vast zelf bij, maar op dat moment was zelfs de illusie ervan me wat te veel. Ik tilde hem uit bed, hield zijn gezicht vlak voor het mijne en zei met alle aan-razernij-grenzende-woede die ik voelde “GENOEG!”

Dat is vast iets dramatischer neergeschreven dan het in feite was voorgevallen.

Controle verliezen

Ik sla mijn kinderen niet. Uiteraard, denk ik dan graag. Ik sla niemand, in feite. Ook op zo’n moment heb ik niet het gevoel dat ik me moet inhouden, dat ik op het punt sta om die controle te verliezen. Maar bijna, ergens diep in dat oeroude stuk van mijn hersenen, kan ik het wel snappen.

Niettemin, mijn zoontje gaat in de hoek en krijst de boel een paar minuten lang bij elkaar. In de kamer ernaast blijft zijn broertje rustig doorsoezen. Hij is nog te veel baby om dat soort problemen te veroorzaken, laat staan te kennen.

Als de oudste iets gekalmeerd is, neem ik hem op – berouwvol, maar toch ook nog steeds moe en geïrriteerd. Ik excuseer me, for what it’s worth, en leg hem voor de zoveelste keer uit dat het echt wel tijd is om te slapen. Hij knikt, maar ik heb geen idee wat hij denkt. Berouw? Begrip? Vermoeidheid? Angst? Ik hoop dat het geen angst is.

Hij gaat braaf liggen en ik geef hem een kusje voor ik terug in mijn eigen bed kruip.

Ik neem me voor het beter te doen

Het is een kant van mezelf die ik niet graag tegenkom. Ik neem me voor om het beter te doen, rustiger te blijven en minder en minder vaak kwaad te worden. Voor hen, natuurlijk, maar vooral voor mezelf. Want ik heb er altijd spijt van, van die uitbarstingen, zij het altijd achteraf.

Als hij even later opnieuw wakker wordt en me naar boven doet sloffen, neem ik hem zonder iets te zeggen op en leg hem naast me in ons bed. We slapen tot de wekker gaat. Al zouden we allebei best wat langer kunnen slapen...

 

Deze blog verscheen eerder op Brollie and me.