Wat als broer + zus = haat + liefde?

Broer en zus, het is niet altijd een eenvoudige combinatie. Eline is verschrikkelijk gek op haar broer, terwijl hij haar ‘haat’. Hij vindt haar saai, ze loopt in de weg, het is altijd wat.

Hij neemt de rol van zijn papa over

Sinds de scheiding is Thomas nog baziger ten opzichte van zijn zus dan vroeger. Hij neemt de rol van zijn papa over en zegt of roept haar wat ze moet doen. ‘Eline, stop daar nu mee!’, ‘Ga nu eens naar daar!’, ‘Eline, jij moet dat gaan halen!’. Eline zelf reageert er nogal gelaten op, kort en krachtig: ‘Jij bent hier wel niet de baas hé!’. Meer niet. Maar als mama heb ik het er wel moeilijker mee. Het is gewoon niet leuk, elke keer dat geblaf.

Alert reageren

Het komt er ook op aan om elke keer alert genoeg te kunnen reageren op ‘fout’ gedrag. En de ene keer lukt dat al beter dan de andere keer. Straffen doe ik alleen als het echt de spuigaten uitloopt (dan zet ik ze op de gang of in het toilet, dat helpt meestal onmiddellijk), maar meestal kan ik het met een stevige discussie oplossen.

Het zit hem, denk ik, ook in je intonatie. Als Thomas voor de zoveelste keer vindt dat de doos met ontbijtgranen bij hem moet staan, omdat hij het speelgoedje uit de doos wil hebben, dan zet ik die doos meestal heel kordaat in het midden en luistert hij wel.
Maar zodra die kinderen merken dat je moe bent en je niet genoeg kracht in je stem kunt leggen, kun je nog zo veel zeggen wat je wilt: het pakt niet meer.

Als mama kun je natuurlijk niet eisen van je kinderen dat ze altijd de beste vrienden zijn, dat weet ik ook wel. En er zijn ook van die betere dagen waarop alles net iets vlotter gaat en ook broer en zus beter overeenkomen. Maar zelfs dan steekt er, in alle stilte, plots iets de kop op. Meestal net op het moment waarop je van de rust wilt profiteren en iets wilt doen voor jezelf.

Wonderen bestaan nog

Gelukkig heb ik mijn werk waarin ik me kan ‘ontspannen’, opladen en mijn eigen ding kan doen; soms is dat minder intensief dan een dagje bij de kinderen te zijn. Ik kan me voorstellen dat het voor een mama die thuis is soms niet eenvoudig is; in de vakantieperiodes zijn de kinderen dan voortdurend thuis…

En gelukkig weet ik ook wel dat de grote broer voor zijn zusje zal opkomen. Dat heb ik al met eigen ogen mogen vaststellen als ze een keertje alleen naar school moesten wandelen. Ik dacht nog van tevoren dat het nooit zou goedkomen en dat Thomas zeker tien meter voor Eline zou uitlopen, maar het tegengestelde was waar: grote broer liep mooi naast zijn kleine zus.

Je ziet, de wonderen zijn de wereld nog niet uit, ze zitten alleen soms in héél kleine dingen…’