Als je zoon een kleedje aan wil

  • door Gastmama

“Mama, ik wil een kleedje aan!” Moest deze uitspraak uit de mond gekomen zijn van mijn dochter, zou je kunnen vermoeden dat ik behept ben met een  modebewuste meid . Toen mijn vijfjarige zoon deze uitspraak deed, niet één keer, maar elke dag, weken aan een stuk, wist ik niet meteen wat aangevangen. Ik heb trouwens helemaal geen dochters, en dus ook geen extra kleerkast om dit kleinood op te lossen. Een kleinood, zo probeerde ik het te zien. “Ach”, overtuigde ik mijn echtgenoot, “kinderen dragen toch wat ze willen. Dit is gewoon een fase. Toch? “

De smeekbede om een kleedje verdween niet. Tijdens een logeerpartijtje kon mijn schoonmoeder het niet meer aanhoren. Een oude paarse blouse mét luipaardprint werd een kleedje. Een gedrocht. Dit was echt te belachelijk. Enkele dagen later reed ik met mijn zoon naar een kinderkledingwinkel. Met een missie. Een mooi passend kleedje. Mijn zoon huppelde door de winkel, en sleepte een gouden glitterkleedje, een tulerok en een handtas mee naar het pashokje. Hoe ruimdenkend ik ook ben, ik was blij dat er weinig volk in de winkel was. Eén moeder met dochter zagen we, en zij bekeken ons vreemd. In het pashokje onderhandelden moeder en zoon, en we werden het eens over een blauw-wit gestreept kleedje, met zilveren sterretjes op.

Hé, die jongen is een meisje!

Het was woensdagnamiddag, en ik had een lunchdate gepland met een pasbevallen vriendin. Het kleedje moest aan. Natuurlijk.  Toegegeven, niemand keek op. Oef.  Op de speeltuin die we daarna bezochten wel. “Hé, die jongen is een meisje,” riep een ouder kind. De volgende dag wilde mijn zoon zijn nieuwe verovering dragen naar school. “Waarom niet?”, dacht ik. Uit schrik voor de reacties van de klasgenootjes en ouders, praatte ik het uiteindelijk toch uit zijn hoofd. (Daar heb ik achteraf bekeken een beetje spijt van.)

De volgende dagen vertelde ik aan enkele bevriende ouders over die kleedjeswens van onze zoon. Het bleef stil, maar ik hoorde hen en mezelf denken: “Is dit een fase, of is er meer aan de hand?” Een jongen die zich een meisje voelt, dat bestaat. Het omgekeerde trouwens ook. Ik ging op onderzoek.

Een normale ontwikkeling

Een uitgesproken gevoel zich meer te identificeren met het andere geslacht, noemt men bij volwassenen een genderidentiteitsstoornis, of genderdysforie. Deze ervaring komt voor bij 0,6 tot 0,7 % van de bevolking. Bij kinderen die zich psychisch meer het andere dan het geboortegeslacht voelen, spreekt men eerder van een gendervariante identiteit tot de leeftijd van 12 à 13 jaar.

Het op jonge leeftijd experimenteren met verschillende rollen, van politie-agent tot prinses, behoort echter volledig tot de normale ontwikkeling van een kind. Dat een klein jongetje in een jurk meer rare blikken krijgt dan een kleine meid in een brandweerpak zegt vooral iets over het genderstereotiep denken van onze samenleving. Vooraleer je kan spreken van een kind met een gendervariante identiteit moeten er veel meer signalen zijn, zoals bijvoorbeeld een afkeer van het eigen geslacht, de wens uitdrukken liever een jongen of meisje te zijn en/of enkel met kindjes van het andere geslacht willen spelen.

Genderboodschappen in onze opvoeding

De kleedjeswens van mijn zoon bleek maar tijdelijk te zijn. Ons zorgvuldig gekozen jurkje verhuisde na enkele weken naar de verkleedkist. Het hele verhaal heeft me wel gevoelig gemaakt voor de genderboodschappen die we in onze opvoeding meegeven.  In de keuze van boeken, speelgoed en kledij geven we onze kinderen inspraak, maar zijn we ook op onze hoede voor overdreven stereotypen. Zo hopen we ons steentje bij te dragen tot het streven naar gelijkwaardigheid voor alle genders, identiteiten en geaardheden.

Wil je graag meer informatie over dit thema? Op de website van Cavaria, het Transgender Infopunt en Berdache (een vereniging voor ouders met een genderkind) kan je terecht.

Elke Vandebroek