Brief aan mijn 2-jarige zoon

’s Avonds, voor je gaat slapen, vraag je me om een verhaaltje. Je wil dat ik vertel over ridders, piraten of kaboutertjes. Ik vertel je dat we ’s nachts, als jouw oogjes toe zijn, in een kasteel wonen. Jij, je zusje, papa en ik. 

Lieve Mauro,

’s Avonds, voor je gaat slapen, vraag je me om een verhaaltje. Je wil dat ik vertel over ridders, piraten of kaboutertjes. Ik vertel je dat we ’s nachts, als jouw oogjes toe zijn, in een kasteel wonen. Jij, je zusje, papa en ik. We zijn koning en koningin, ridder en prinses. We rijden een hele dag op paarden en eten elke dag spaghetti. We eten zo veel pudding met smarties als we willen. We krijgen geen rotte tanden als we ze niet poetsen. Pijntjes bestaan niet. En jij mag er de hele dag met je tutje rondlopen! 

Voor mij ben je perfect

Je bent twee jaar, nu. Een peuter. Niet langer mijn kleine baby. En elke dag voel ik je een beetje meer van me afscheuren.

Je beseft het zelf niet. Maar deze zomer, lieve Mauro, is het de laatste keer dat het begrip ‘vakantie’ zo abstract blijft voor jou. Vanaf september mag je naar school. Dan begint voor jou het echte leven. Je bent er helemaal klaar voor. Maar toch ook weer niet. Ik wil je zo graag beschermen. En dat zal ik doen, zo veel ik kan. Maar ik kan het elke dag een beetje minder.

Je bent wie je bent, je bent Mauro en dat is voor mij perfect. Dat is voor je papa perfect. Voor je oma’s en opa’s, voor je meters. Maar niet voor iedereen. Er zijn lieve, maar ook boze mensen. Je zult juffrouwen en meesters krijgen die over jou zullen oordelen. Je zult vriendjes krijgen, maar er zullen ook kinderen zijn die je kwetsen. Je zult verdriet hebben, dat is onvermijdelijk. En dat verdriet zal je meer pijn doen dan dat kleine verdrietje omdat je echt geen snoepje mag als ontbijt.

Niet alles, niet iedereen, komt uit het sprookjesbos, Mauro.

Maar dat hoef je nog niet te weten.

Want je hebt nog meer dan tijd genoeg om te spelen. Je hebt nog zo veel tijd om groot te worden. 

Wat ik van je leer...

Weet je dat ik veel van je leer? Dat me opjagen geen zin heeft, bijvoorbeeld. Dat me haasten eigenlijk, op lange termijn, tijdverlies is. Waarom zouden we ons haasten als we daar zo veel stress van krijgen? Wat maken die paar minuten die je ermee uitspaart dan uit?

Als we over straat lopen, bewonder je alles dat je tegenkomt. ‘Kijk, mama, vogels, mooi!’, roep je uit als er een doodgewoon vogeltje boven onze hoofden fladdert. Je plakt met je neusje tegen bloemen die we elke dag tegenkomen en kirt enthousiast: ‘Mama ook neusje ruiken, bloemen, lekker!’.

In de wereld van grote mensen betekent het geluid van een brandweerwagen eigenlijk slecht nieuws. Maar dat weet jij nog niet. ‘Brandweer, brandweer!’ roep je uitgelaten als je er eentje hoort, en je zwaait naar elke brandweerwagen die we tegenkomen. Glimlachend zwaaien de brandweermannen dan terug.

Ik kan je niet voor altijd beschermen, Mauro. Maar als het zover is, als je helemaal groot bent, beloof je me dan dat je zult blijven dromen?

 

Kusjes en knuffel,

Je mama

 

Dit is het land

Dit is het land (Annie M.G. Schmidt)

   
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen
en altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and're muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.