Communiceren met baby’s en peuters: het is een vak

  • door Gastmama

Toen ik aan kindjes begon, hadden ze me wel eens mogen zeggen dat je het best eerst een cursus ‘babytaal’ volgt. Nu ja, ik heb het dan maar met vallen en opstaan geleerd, dat 'ontcijfer-je-baby-en-peuter-gebrabbel'. 

Toen ik aan kindjes begon, hadden ze me wel eens mogen zeggen dat je het best eerst een cursus ‘babytaal’ volgt. Serieus, het bestaat dus he, zo’n cursus! Dunstan-babytaal heet dat, en je leert er de vijf geluiden herkennen die alle pasgeboren baby’s maken. Te gek! (maar echt, té gek voor woorden). Nu ja, voor mij is het alvast te laat, want intussen zit ik al aan de peuterwijs- en herhaalfase...

De eerste maanden: gehuil dat overgaat in gekrijs

De eerste maanden in het leven van een baby komt er niets anders uit dan gehuil, dat dan soms (of vaak, ’t is maar hoe je het bekijkt) overgaat in gekrijs.

Als nieuwbakken ouder begin je dan in het wilde weg te gissen, terwijl je kleintje blijft krijsen en jij zelf alsmaar nerveuzer wordt. Tijdens zo’n escapade wordt er eerst

  • een pampercheck,
  • een koude- of warmtecheck,
  • een thermometercheck,
  • een krampjescheck,
  • een wieg-heen-en-weer op de armen-check uitgevoerd.

Maar uiteindelijk eindigt het àltijd gewoon met mama in de zetel en het kind aan de borst. Terwijl je bij jezelf denkt: 'Huh, ze heeft een halfuur geleden nog maar pas gegeten???' Maar goed, als de borst helpt...

Tijdens zulke dagen heb je ’s avonds het gevoel dat je geen enkele keer de kans hebt gekregen om recht te staan uit die zetel. Hoera voor Netflix en hoera voor herhalingen van Singles overdag op televisie!

Na een paar maanden: je begrijpt je baby al wat beter

Dan, na een paar maanden, begin je je baby beter te begrijpen.

  • Een pruillip = meestal een voorbode voor iets heel ergs ('als je me nu niet geeft wat ik wil, krijs ik hier de boel bij elkaar!),
  • snikjes = een klein verdrietje
  • ‘whaaaaa’ wil dan weer iets anders zeggen dan ‘whèèèèèè’.

Zo leert iedere ouder de verschillende geluiden van zijn eigen kind te herkennen. Pas op, dat wil niet zeggen dat er nooit meer avondlijke of nachtelijke gilbuien zijn die je compleet niet kunt plaatsen als ouder. Maar stilaan worden ze schaarser, thank God! 

En dan: de fase van het wijzen

En dan, na een tijd, komt het wijzen. Die kleine ukkies worden zich bewust van het feit dat ze hun kleine mollige wijsvingertje kunnen uitsteken, dat jij als ouder daar wild enthousiast over wordt en dat je dan ook nog eens extra aandachtig naar je kind luistert en kijkt om juist te kunnen benoemen wat ze juist aanwijzen. Althans, zo loopt dat in de beginfase van het wijzen toch. Tot ze een hele dag langs niks anders doen, iedere minuut van de dag, maanden aan een stuk. Het blijft wel een schattig vingertje, dat wel. Maar het merendeel van de tijd vraag ik me toch nog steeds af waarnaar Oona nu eigenlijk precies wijst? Wat mij betreft, althans zo interpreteer ik als moeder Oona's signalen, zijn er twee soorten van wijzen:

1. De lange wijs

Hierbij gaat het armpje langzaam omhoog, het mollige vingertje strekt zich geleidelijk aan uit en de arm blijft toch een heel aantal seconden in die stand staan. Je hebt als ouder tijd genoeg om jezelf achter je kind te installeren, je te bukken tot je zelf op ooghoogte met de arm van je kind bent en op die manier zo nauwkeurig mogelijk in te schatten waarvan dat kleine mensje wil dat je het benoemt. Dit soort van wijzen is peanuts voor de ouder. En je blijft het spelletje vol overgave en enthousiasme meespelen, ook al is het al de vijftigste keer die dag. Keep smiling!

2. De korte (véél te korte) wijs

De tegenhanger van de lange wijs is de korte, maar dan ook véél te korte, wijs. Binnen een tijdspanne van enkele luttele seconden werd de houding van de lange wijs aangenomen, maar ook weer terug ingetrokken. ZOEF, ZOEF.

Meestal past er ook een toepasselijk geluidje bij: 'ageu!', 'dai !'of gewoon 'nnnnnnn!' zijn hier absolute favorieten. Na de korte wijs volgt de puppyblik. Twee grote ogen die je hoopvol, en ook een beetje guitig aankijken en smeken: 'Mama, je weet toch waarnaar ik net wees? Zeg het dan!'

'But I don’t have a clue, kind!', denk je dan bij jezelf. Snel kijk je in de richting waarnaar de vinger uitging. Of je denkt toch dat het die richting was. En je benoemt het meest voor de hand liggende voorwerp.
Het risico bij de korte wijs is dat je steeds verschillende benamingen geeft voor hetzelfde voorwerp. Aangezien je niet door hebt naar waar er gewezen wordt, zeg je de ene keer heel enthousiast: “Jaaaa, kast!’, of ‘Ja hoor, daar is de poes!' of ‘Dat zijn jouw boekjes’, terwijl het arme kind misschien gewoon drie keer naar het raam wees. Hopelijk zegt ze dus binnenkort niet ‘boek’ tegen ‘raam’ of ‘poes’ tegen ‘kast’.

Wat ik alleszins wel weet, is dat we vaak genoeg op de juiste moment ‘Jà, bàl!’ hebben geroepen, want dat was ook meteen haar eerste woordje (na ‘mama’, of course). En ja, intussen heeft het wijzen plaatsgemaakt voor de fase van de eindeloze herhaling: ‘Ballllllllll, baaaaal, bal, ballllll...' hoor ik nu als ze met de bal in haar handjes door de living paradeert. Benieuwd naar de volgende communicatiefase! :-)

Stephanie V.