De Grote Wereldproblemen van een Vermoeide Kleuter

Woensdag. Vandaag moet het easy als peasy zijn. Ik heb er namelijk maar eentje vanmiddag, want kind 1 is bij een vriendinnetje gaan eten. En eentje is geentje, denk ik altijd. Behalve als dat eentje een slecht dagje heeft. Of oververmoeid is. Zoals, euh, vandaag…

Tsjernobyl in da house

Ik had me nochtans voorbereid. Ik zie mezelf boven potten hangen, verse soep maken, patatjes snijden.

  1.  Ik haal haar af. Het eerste wat ze zegt: ‘Ik wil niet met mama mee. Ik wil mijn zus!’
    Yes, de toon is gezet.
  2. Net thuis. Zij: ‘Wat gaan we eten?’ Ik: ‘Vleesje met groentjes en patatjes.’ Zij: ‘Neejeu! Ik wil spaghetti!!!’ Zucht.
  3. Vijf seconden later. Klingelingelingel!!!!! Een (afgekoeld) potje soep op de grond. Jawel, van die vers gemaakte. ‘Ik moet geen soep!’ Heel het kind hangt onder de soep. De vloer: onder de soep. Damn, this is some serious business. Mijn ogen gaan wat opengesperd staan. Het kind vliegt in de hoek. Kort daarna sniffelt ze sorry, terwijl ze in haar ogen wrijft. Moe? Moi? Nee hoor.
  4. Ik voel aan mijn theewater dat het hier om een Tsjernobylsituatie gaat. Zeggen dat de sfeer licht ontvlambaar is, is het understatement van het jaar. Ik zit op de grond om de resten soep weg te wrijven. Op de achtergrond hoor ik haar opnieuw sakkeren.
  5. ‘Het gordijn moet dicht! De zon mag niet in mijn ogen!’ Het 1 meter-grote kind hangt te jengelen aan het dito gordijn. Moeder snelt gezwind te hulp (ik zou dat gordijn graag nog wel voor een paar jaar zien hangen) en zorgt ervoor dat alle zon uit het kind haar ogen is. Die verdamde zon, hoe durft ze zeg! Oef, opnieuw een kernramp vermeden.

Ik trippel naar de keuken (ik probeer intussen zo stil mogelijk te zijn, kwestie het herstelde evenwicht niet te verstoren) en roer verder in de potten. Tot…

Die moeders toch

  1.  ‘Waar is mijn Plop-tuut? (luid)’ Ik: ‘Hier, je hebt ze in je mond.’ Zij weer: ‘Nee, daar staat Kwebbel op, zie je dat dan niet?’ My mistake. Dju toch moeder, zie jij dat nu weeral niet?
    Ze sukkelt aan tafel. Het kussen is vuil geworden van de soep. Ha ja, alles was vuil. Dus moet het weg.
  2. ‘Mijn rug doet zeer!’ (ze krijgt een ander kussen onder en achter haar)
    We beginnen te eten. Ik slaak een inwendige zucht. We zijn hier toch al geraakt. Vanaf nu kan het alleen maar beter gaan. Toch?
  3. ‘De patatjes doen vervelend!’ (ze probeert ze te pletten met haar lepel en dat gaat niet. Help.)
    Ik vraag haar iets over de klas. Of Muis nog altijd ziek is en de dokter al is geweest. Het blijkt een Foute Vraag te zijn.
    ‘Maar nee mama, dat wéét ik niet meer!!! Dat mocht niet vandaag!!’ Haar ogen schieten vol tranen, ik hou mijn adem in. ‘Shh, shhh, kindeken, ’t is waar, je had dat al gezegd, mama toch…’

Ze ligt in bed nu voor een middagdut. Ik durf niet meer te bewegen. Ik kan alleen maar hopen dat het straks beter gaat. Voor haar. Maar vooral ook voor mij. Eigenlijk. O ja, en ik zeg vanaf nu nooit meer dat eentje geentje is. Beloofd...