DOSSIER: Als je kind niet naar school wil. Hoe komt het? En wat doe je eraan?

Het schooljaar is ondertussen al een semester ver, maar ondanks een enorme inzet en een eindeloos geduld van zowel de ouders als de school, wil het toch niet bij elke kleuter of leerling lukken.  Sommige kinderen hebben bij 'school' veel minder fraaie gedachten. Deze doetjes liggen 's avonds uren wakker, voelen buik- en andere pijntjes. Nog anderen willen er niks over horen, en verbannen alle gedachten aan en gesprekken over schoolse kwesties. De oorsprong van deze 'ik wil niet naar school'-houding is tweeërlei: motivatie-issues of angst.

Gebrek aan motivatie?

Sommige ukjes houden gewoon niet van school. Ze hebben 'geen zin', zijn allergisch aan discipline en tucht, en ervaren werken en leren eerder als een straf. Hoewel exploreren en leren in principe een natuurlijke ontwikkelingskwestie is, voelen ze weinig motivatie of zin om bij te leren of vaardigheden te verwerven. De voldoening van iets te kunnen lijkt hen vreemd. De dikke duim of knipoog van de juf lokt eerder ergernis dan trots uit. En huiswerk is een hel. Een motivatieprobleem is vervelend en vormt een ware beproeving voor het geduld en de stressbestendigheid van mama-lief.

Uit onderzoek naar de werkzame factoren in motivatie weten we dat de kans op motivatie groter is wanneer aan 3 voorwaarden is voldaan.

  1. VERTROUWEN

Motivatie lukt beter wanneer je overtuigd bent dat je de opdracht of taak aankan. Is ze te moeilijk of te gemakkelijk, dan is het een pak moeilijker om je te motiveren.  Dit geldt zowel voor het naar school gaan zelf, als voor de taken die je op school krijgt. Sommige kinderen ervaren school als saai (te weinig uitdagend) of lastig (uit hun comfortzone). Onder het motto: 'proberen werkt' kan je je kind stimuleren en uitnodigen om nieuwe taken toch aan te pakken.

  1. AUTONOMIE:

Motivatie is ook groter wanneer je de taak/opdracht zelf kon kiezen. Dit geeft controle. Kleuters hebben meermaals per dag de kans om zelf hun spel -of hoek- te kiezen. Hoewel ze vaak voor hetzelfde spelaanbod gaan, is het feit dat er kan gekozen worden, al een sterke motivator. Je kan hen van thuis proberen motiveren door hen te laten kiezen welke kledij ze aandoen, wat er als tussendoortje en lunch in de boekentas gaat. In de lagere school zijn de keuzemogelijkheden voor de leerlingen eerder beperkt. Je kind inspraak geven in de planning en aanpak van huistaken en lessen, geeft alleszins al een gevoel van autonomie. Vanaf het middelbaar kan een scholier wel zelf keuzes maken: welke richting er wordt gevolgd, in welke vakken men zich gaat verdiepen, enz. Luister hierin naar de argumenten van je kind, erken zijn voorkeuren en tracht hierin rekening te houden bij de uiteindelijke beslissing

  1. ONDERSTEUNING

Om gemotiveerd te zijn is het ten slotte belangrijk dat je je ondersteund voelt door je omgeving. Niets is zo ingrijpend voor een kind als een gebrek aan betrokkenheid, geloof en vertrouwen van de ouders. Als mama straalt, dan volgt het kind! Sommige ouders proberen hun kind net te stretchen door een gebrek aan vertrouwen te veinzen. Dit werkt niet. Wees authentiek en positief!

Of eerder schoolangst?

Niet elk kleintje dat een enorme weerstand toont tegen alles wat met de school te maken heeft, lijdt onder een gebrek aan motivatie. Sommigen zijn gewoon te bang om ontspannen -laat staan blijgezind- naar school te kunnen gaan.

Wat dus aan de buitenkant lijkt op een gebrek aan motivatie, kan diep vanbinnen toch eerder verwijzen naar angst en onzekerheid. Sommige leerlingen zijn zo bang om foutjes te maken, dat ze er gewoonweg niet aan beginnen. Een confrontatie met een mogelijk falen wordt kost wat kost vermeden.

Deze kinderen vergaat het dus heel wat minder. Ze zouden wel willen, maar durven doodeenvoudig niet. Waar de ene al ineenkrimpt bij de gedachte aan een boze blik van de juf, voelt de ander pas buikpijn als hij -voor de hele klas- zal moeten tonen wat die kan. Nog anderen willen wel naar school, want ze zijn leergierig en willen hun vaardigheden en competenties ontwikkelen, maar voor hen zijn al die klasgenootjes er dan weer te veel aan. Ze voelen een sociaal onvermogen en zijn letterlijk bang van de ander.

Schoolangst heeft dus verschillende oorzaken.

  1. FAALANGST

Ooit al de vrees gehad dat iets je niet gaat lukken? Kan je je voorstellen hoe het zou zijn als je deze angst voortdurend had? Wel, dat is wat kinderen met faalangst ervaren. In het begin zijn ze enkel onzeker. Ze vragen zich of ze kunnen voldoen aan de vele verwachtingen. Ze voelen een enorme druk, niet alleen van de juf of meester, maar soms nog meer van mama en papa. Ongemerkt kan dit evolueren naar een complete blokkade door faalangst.

Dit kan al beginnen in de kleutertijd. Sommige van deze kleintjes twijfelen of ze het wel zullen redden zonder hun mama of papa in de buurt, zeker als ze gewend zijn dat die ouder vaak de dingen in hun plaats doet: hun jasje aandoet, de boekentas opent, vult en sluit, in de plaats van hun kind vragen stelt, enz... Ooit al gedacht dat al deze goedbedoelde acties om je kleine ukje te helpen of te ondersteunen misschien wel zijn afhankelijkheid aan jou in stand houden? En je voorgesteld hoe die dat dan moet doen en kunnen wanneer je niet in de buurt bent? Yeah right. Lastig hé. Eén gouden regel: Stimuleer het zelf doen altijd en overal! Wat je kind thuis niet zelf doet, ervaart die als lastig en misschien wel onmogelijk buitenshuis: de basis voor onzekerheid en een gebrek aan zelfvertrouwen!

Met het ouder worden zien we deze onzekerheid weleens veranderen in angst. Deze kinderen zijn niet langer ongerust of ze iets wel zullen kunnen, neen, ze zijn overtuigd dat het hen niet zal lukken. Buikpijn en andere kwaaltjes zijn de lichamelijke uitingen van deze faalangst. Neem deze klachten ernstig: je kind voelt werkelijk pijn. Deze is niet veroorzaakt door een bacterie of virus, maar door de stress, een veel moeilijker uit te roeien beestje. Leg uit waar de pijn vandaan komt en bedenk samen wat kan helpen. Zorg dat je kind deze oplossingen ook zelf kan toepassen, anders blijf je in de cirkel van afhankelijkheid en is je kind nog meer overtuigd dat niet hijzelf maar enkel jij de zaken voor hem kan oplossen. Net wat je niet wil, dus. Probeer samen met je kind de situatie te relativeren: wat is het ergste dat hier kan gebeuren? En hoe erg is dat dan? Waar ligt de bron van de angst: in je hoofd of in de realiteit? Zo zijn kommagetallen niet onmogelijk voor een 11-jarige, anders stonden ze niet op het leerplan. Zelfs voor wie geen krak in wiskunde is, bestaan er manieren om dit toch te leren!

In een situatie van faalangst, is wat we aan onze kinderen communiceren erg belangrijk. Veel goedbedoelde boodschappen en acties versterken hun onzekerheid, net omdat ze hen nog meer overtuigen dat ze het niet alleen kunnen, dat ze ons nodig hebben. Denk daarbij aan de extra oefeningen die je 'voor de zekerheid' zelf nog opzoekt bij die grote toets, of hoe je ernaast gaat zitten tijdens het huiswerk want 'dan lukt het beter', enz...

Door erbij te zitten, er zelf heel sterk mee bezig te zijn -vooral als ze dit zelf niet vragen of wensen- geef je impliciet de boodschap dat je het niet echt vertrouwt en dat dankzij jouw actie het misschien wel zal lukken. Opnieuw: net wat je niet wil communiceren, toch?

  1. SOCIALE ANGST

Ten slotte zijn er kinderen die zich in de klas zelf, zolang ze mogen leren en oefenen, als een vis in het water voelen. Maar van zodra de bel gaat en ze de speelplaats op moeten, halen ze hun trukendoos boven om toch in de klas te blijven of vluchten ze naar een onzichtbaar plekje aan de toiletten of op het schooldomein. Ze voelen zich niet op hun ongemak tussen de andere kinderen. Meer zelfs: ze zijn bang voor contact, vrezen er niet bij te horen, zijn overtuigd dat niemand hun vriend wil zijn en voelen zich op deze momenten ontredderd en eenzaam.

Elk kind heeft immers nood aan een plekje dat goed voelt. Voor de ene is dat op de voorgrond en in de aandacht, terwijl de ander liefst van al wat op de achtergrond verdwijnt. Allebei prima. De ene heeft leiderschapsambities, de ander voelt zich in zijn sas als diens trouwe soldaat. Nog anderen hebben voldoende aan één vriendje, maar dan liefst wel een BFF met wie ze hand in hand en in een roze bubbel over de speelplaats kunnen huppelen. Opnieuw: allemaal prima: Zolang het voor je kind zelf goed voelt.

Speelplaatsangst duikt op wanneer het voor een kind niet lukt om dit plekje te verwerven, wanneer hij of zij de sociale trucjes lijkt te missen die hiervoor nodig zijn. Een kind dat voor zichzelf kan opkomen, zal dat ook makkelijker kunnen tussen vriendjes terwijl die eeuwige twijfelaar zich vermoedelijk wat onzichtbaar zal maken. Een kind dat van kleinsaf veel contact heeft met mensen, zich ook bij anderen dan de ouders of naaste verzorgers in zijn sas kan voelen, zal dat ook vlotter doen wanneer het op school tussen andere onbekende kleintjes terechtkomt .

5 tips om de speelplaatsangst te overwinnen

  1. Jij kent je kind het best. Is je kind een vredebewaker die conflicten schuwt en graag in alle rust met anderen omgaat? Of zit er in dat pittig ding van je een kleine uitdager die met genoegen anderen port en kijkt hoe ver die kan gaan? Wees gerust: de kans is groot dat die op school hetzelfde gedrag zal tonen.
  2. En ken jij jezelf. Hoe sociaal ben jij, mama? Ziet je kind een moeder die zelf ook plezier maakt met vriendinnen? Dan leert hij dat vriendschap blij maakt. Zo leer je hem dat de andere kinderen betrouwbaar zijn en motiveer je hem om ook vriendjes te maken.
  3. Vertel je kind hoe jij vroeger vriendjes maakte. Kinderen horen graag hoe jij dat deed. Je bent immers op deze leeftijd nog hun grote voorbeeld. Vertel over je successen maar ook over wat moeilijk liep. Ook bij mama liep het niet altijd vanzelf.
  4. Geef je kind ‘datingtips’. Stimuleer het tot écht contact. Zeg hem dat het het beste werkt als je zelf op de ander afstapt, iets over jezelf vertelt én interesse toont in het verhaal van dat ander kind.
  5. Leer je kind wat 'rekening houden met de ander' is.  Zeg dat vriendschap zowel kiezen als toegeven is, meestal fijn maar soms ook stress of spanning. Leer hem dat de ander onze behoeften niet altijd kent en dus meestal ook niet vervult maar dat een goede vriend aardig in de buurt kan komen. Leer hem bemiddelen: afspreken dat ze eerst het spel van de ene en daarna dat van de andere zullen spelen.