Gedicht voor mijn kindjes

Mama Ann-Lien schreef naar aanleiding van Gedichtendag een gedichtje voor haar kinderen.

‘Ik hou van je’, zei Vis tegen Kameel.
‘Ach hou toch op, je drinkt te veel’,
 riep Kameel. ‘Jij bent klein en ik ben groot.
Jou wacht in de woestijn de dood’.

 ‘Woon dan bij mij?’ probeerde de vis,
‘In mijn huis tussen kroos en lis?’
‘Nou nee, daar verdrink ik, onder water,
en denk aan onze kindjes later:

 Baby’s met kieuwen, bulten en poten,
die worden vast overal uitgesloten’.
Vis begon te huilen en fluisterde stil:
‘Is het misschien dat je míj niet meer wil?’

 ‘Zijn het mijn ogen, lidloos en bol?
Verkies je het schubbenpatroon van een schol?’
Vis keek Kameel nu vragend aan
en op zijn wang droop een eenzame traan

 ‘Ach, ik hou ook zo zielsveel van jou,
maar buiten de woestijn heb ik altijd zo’n kou.’
Vis knikte en wist niet wat te doen.
Toen gaf hij Kameel een natte zoen

 En zei: ‘Nou ja, dan ga ik maar’.
Het afscheid was bijzonder zwaar.
Kameel liet nu ook een dampende traan
toen hij zijn Visje weg zag gaan.

 Maar plotseling draaide Vis zich om
hij straalde, z’n hele gezichtje glom.
‘Ik weet het’, riep hij, ‘ik weet wat gedaan.’
Kameel bleef even verstomd stilstaan.

 Toen danste hij naar het visje toe
en riep: ‘Zeg me dan, zeg me hoe!’
‘Weet jij waar we samen kunnen zijn,
waar water is en ook woestijn?’

 Dus trokken ze haastig - in pure extase
Naar de dichtstbijzijnde oase.
Wat later volgden daar in hun zandkasteel
een babywoestijnvis en -zeekameel.