Haviksoog

Ze loenst. Ze gluurt. Vanuit de tippen van haar tenen strekt ze zich uit om toch maar te kunnen kijken. En dan ziet ze iets. Ze glundert. Ze straalt. Haar oogjes fonkelen en haar handjes wippen op en neer van contentement.

Ben je twee dan lacht de hele wereld naar jou.

Ze lacht en weent tegelijkertijd en vindt troost in al wat haar omringt. Een knuffel, een koekje, een ballon.

Ze heeft een haviksoog.

Ze kijkt omhoog en herkent uit een puntje wolk een vliegtuig. ‘Vliegtuig!’ roept ze het uit. Ze wijst naar de hemel. Jij ziet het niet meteen. Maar ze heeft gelijk. Daar in de verste verte tekent een vliegtuig als een wit potlood op blauw papier zijn baan. Helemaal in een uithoekje. Je zou het zelf nooit gezien hebben.

Haar blik scant alles binnen haar gezichtsveld. Ze herkent een banaan in een maan en de straat van oma en opa. ‘Hondje’ gilt ze wanneer op de dijk honderd meter verder een viervoeter zijn kop draait. Je zou het zelf nooit gezien hebben.

Ze benoemt alles wat ze kent. Bus, boek, kraan en zetel. Daar nog een bus. En een kraan! Gevolgd door de vijfde hond die dag. Voor haar is zien is gelijk aan zeggen. Alsof haar ogen en haar mond hetzelfde zintuig is.

Ze ziet alles maar ook niets. Een fietser die gevaarlijk dicht nadert, stapt ze gezwind toe. Totdat je haar bij haar jasje grijpt en tegen je aan trekt. Dat er een hondje wat verderop blaft, vertelt ze opgewonden in haar taaltje. En dat er een vlieg op de sluiting van je jas zit. Maar die fietser? Nee, die zag ze niet.

Alsof ze een andere bril op heeft. Op haar hoede voor dingen die ze niet kent, enthousiast over iets dat ze wél (her)kent. Een spectrum dat reikt zover ze kan zien.

Kijken naar de wereld door de ogen van een kind van twee, da’s nogal wat.

En tiens, is dat daar een hond?

 

Deze blog verscheen eerder hier