Meertalig opvoeden: hoe doe je dat?

Een meertalige opvoeding heeft veel voordelen, maar vraagt anderzijds ook meer inspanning en inzicht. Het zal alleen maar lukken als iedereen die betrokken is bij de opvoeding van het kind, op dezelfde lijn zit.

In onze huidige maatschappij groeien meer en meer kinderen op in een tweetalige of meertalige context. Dat is zeker het geval in grootsteden als Brussel, Antwerpen, Gent… Meertalige gezinnen moeten vaak opboksen tegen hardnekkige vooroordelen. In vele gevallen kadert meertalige opvoeding binnen een multiculturele opvoeding en soms is er ook sprake van kansarmoede. Dat maakt de situatie dan wel complexer, maar elke situatie van meertalige opvoeding is verschillend.

Simultaan of successief

In eerste instantie maakt men een onderscheid tussen simultane (gelijktijdige) en successieve (opeenvolgende) meertaligheid. Er is sprake van simultane tweetaligheid als een kind vanaf de geboorte wordt blootgesteld aan beide talen. Het heeft dan als het ware twee moedertalen. Dat is het geval wanneer de ouders een verschillende moedertaal hebben die ze allebei consequent met hun kind spreken. We spreken van successieve tweetaligheid wanneer het kind later in de ontwikkeling een tweede taal leert, bijvoorbeeld wanneer het naar school begint te gaan.

Gezinscontext

Er is niet echt één manier van meertalig opvoeden die duidelijk de voorkeur geniet. Alles is afhankelijk van de gezinscontext. Om tweetalig opvoeden zo optimaal mogelijk te laten verlopen, kunnen we wel een aantal suggesties geven:

  1. Leeftijd: hoe vroeger een kind met de verschillende talen in contact komt, hoe vlotter het kind de talen zal opnemen. De gevoelige periode om een taal te leren, loopt tot de leeftijd van ongeveer 7 jaar.
  2. Duidelijkheid: om verwarring te voorkomen, moet vooral de verdeling van het aanbod van de verschillende talen duidelijk zijn. Daarvoor is het van belang dat de verschillende mensen die betrokken zijn bij de opvoeding van het kind, regelmatig overleggen en op dezelfde golflengte zitten. Er worden verschillende methodes voor de verdeling van het taalaanbod omschreven. De meest bekende methode is de one parent one language of kortweg OPOL-methode (Ronjat, 1913). Dat advies wordt vaak meegegeven aan ouders met een verschillende moedertaal. Meestal spreken de ouders dan in hun eigen moedertaal met het kind. Maar in veel gezinnen is het taalaanbod niet zo eenduidig verdeeld. Soms spreken de ouders onderling nog een derde taal (bv. Engels) en/of wordt er op school nog een andere taal gesproken. Een andere methode die dan wel eens wordt geadviseerd, is one situation one language, waarbij de taal niet gebonden is aan de persoon maar aan de situatie. Nemen we als voorbeeld een situatie waarover we een vraag binnen kregen. De mama is tweetalig Nederlands en Russisch, de papa Italiaans. Onder elkaar en met vrienden (expats) spreken de ouders Engels en Italiaans. Het kindje zal naar een Nederlandstalige school gaan. Er kan dan afgesproken worden dat mama thuis consequent Nederlands met het kindje spreekt wanneer zij alleen zijn. Met papa erbij kan voor Italiaans gekozen worden. Op school kan papa proberen in het Nederlands, of desnoods in het Engels (afhankelijk van de mogelijkheden). Ook hier is het van belang dat men consequent blijft in de verdeling, zodat het voor het kind duidelijk is. Dat is uiteraard niet evident en daarom wordt ook soms het advies gegeven om de taal te gebruiken waarin de conversatie gestart werd. Welke methode voor een kind de meest succesvolle methode is, hangt af van de mate waarin de ouders de methode toepassen, de gezinscontext…
  3. Moedertaal: voor de dagdagelijkse communicatie met het kind kies je als ouder bij voorkeur de taal die je het best beheerst: de eigen moedertaal. In deze taal kun je je immers het best uitdrukken en dus beter nuanceren, je kind troosten… Dit zorgt voor een natuurlijke ouder-kind-interactie. Daarnaast sta je voortdurend model voor je kind en dat doe je het best door de taal te spreken die je zelf goed beheerst. Het kind neemt immers de taalstructuren, woordenschat en grammatica over die het hoort. Anderzijds is het geen probleem als kinderen een van de talen af en toe ‘gebrekkig’ horen, zolang er maar een voldoende en rijk aanbod is in de taal die je wel goed beheerst.
  4. Voldoende aanbod: zorg ervoor dat het kind voldoende in contact komt met de verschillende talen. Hoe meer ervaring in een taal en hoe rijker het aanbod, hoe beter het kind de taal zal beheersen. Als een van de ouders bijvoorbeeld pas thuiskomt als het kindje al slaapt, dan is er automatisch minder aanbod in die taal. Soms doet er zich een periode van duidelijk taalverlies voor, wanneer een taal niet (meer) met regelmaat wordt gebruikt. Zo kan deze taal op de achtergrond verdwijnen, tot je het aanbod in deze taal (eventueel) weer opdrijft.
  5. Aantrekkelijkheid: wanneer bovenstaande situatie zich voordoet, is het belangrijk als volwassene de moed niet op te geven, maar het kind talig te blijven stimuleren in de eigen moedertaal. Je kunt op zoek gaan naar manieren om deze ‘minderheidstaal’ in een gevarieerde context meer aan te bieden. Je verwoordt je eigen handelingen en deze van het kind in je eigen moedertaal en dit bij routinematige activiteiten doorheen de dag. Dat taalaanbod kan uitgebreid worden naar een bredere context door bijvoorbeeld af te spreken met andere ouders en kinderen met dezelfde moedertaal, of familie in het geboorteland te bezoeken. Maak taal aantrekkelijk door er leuke activiteiten aan te koppelen (liedjes zingen, gezellig samen boekjes lezen, samen televisiekijken of gezelschapsspelletjes spelen…).
  6. Durf en openheid: besef dat een kind de talen niet onmiddellijk perfect zal leren. Anderzijds is het absoluut ook geen vereiste dat de ouders alle talen van het kind perfect beheersen. Dat is vaak zelfs niet mogelijk. Beide ouders moet zelf wel respect en openheid tonen ten aanzien van alle talen door bijvoorbeeld zélf woordjes te willen leren in de andere taal, complimentjes te geven als het kind probeert… maar in bepaalde situaties ook zelf de taal durven te spreken die hij/zij minder meester is. Zo leert het kind dat het niet bang moet zijn om foutjes te maken.

Tragere ontwikkeling met wisselend succes

Belangrijk om weten is dat de beginnende spraak- en taalontwikkeling van meertalige kinderen wat trager verloopt. Voor elk concept moeten immers twee woorden aangeleerd worden.

Het is bovendien normaal dat jonge meertalige kinderen in hun ontwikkeling een fase doormaken waarin ze de talen door elkaar gebruiken. Dat kan gaan over het wisselen van taal binnen een gesprek of het gebruiken van woorden of zelfs grammaticale regels uit een verschillende taal binnen één uiting. Dat hoeft in eerste instantie op jonge leeftijd niet zorgwekkend te zijn, want dat is veelal van voorbijgaande aard. Als het blijft aanhouden tot na de leeftijd van 8 jaar, dan is professioneel advies aangewezen.

Stille periode

Ten slotte kunnen de kinderen ook een ‘stille periode’ doormaken. In deze periode zal het kind één van de talen niet (durven) spreken omdat het zich nog niet veilig genoeg voelt. Meestal begrijpt het kind deze taal dan wel. Ook dit is een normaal verschijnsel en is van voorbijgaande aard.

Het is belangrijk om geduld te tonen, het kind nooit te dwingen om te spreken en steeds positief te reageren op elke vorm van (gesproken) communicatie. Let op: bij een té enthousiaste reactie kan een kind ook dichtklappen…

Feedback geven en problemen signaleren

Wanneer kinderen fouten maken tegen de taal, corrigeer je bij voorkeur op een indirecte manier. Bijvoorbeeld als het kind zegt “Ik ben gevald”, dan vraag je “Oh, en waar ben je dan gevallen?” Vanaf de leeftijd van 7 à 8 jaar kan een kind nadenken over taal en mag de feedback al wat explicieter, zolang dit maar afgewisseld wordt met positieve feedback!

Spreken moet leuk blijven in elke taal en stille periodes mogen niet te lang aanhouden. Selectief mutisme komt meer voor bij kinderen die meertalig opgevoed worden, dus bij aanhoudende spreekangst win je best tijdig professioneel advies in. Ook wanneer je merkt dat er problemen zijn in beide talen, dus wanneer het kind in beide talen achterop hinkt ten opzichte van leeftijdgenootjes, kan er sprake zijn van een taalstoornis.

Meertalige kinderen met taalstoornissen worden vaak te laat aangemeld omdat de achterstand doorgaans te lang aan de meertaligheid wordt gelinkt. Anderzijds is er soms ook sprake van overdiagnostiseren bij kinderen met een ogenschijnlijke taalachterstand die eigenlijk te wijten is het leren van de tweede taal. Daarom is het belangrijk dat je voldoende zicht hebt op alle talen die het kind leert.

Onthoud echter wel dat een meertalige opvoeding niet de oorzaak is van een taalstoornis. Meertaligheid is wel een bemoeilijkende factor bij het vaststellen van taal- en spraakstoornissen. Blijf dan ook niet zitten met eventuele bekommernissen en neem tijdig contact op met een logopedist of het CLB.

Voor meer info kun je ook terecht op de website www.meertaligheid.be.