Mijn tweede ‘eerste werkdag’, over de valse start na mijn bevallingsverlof

  • door Mama

Ik heb geluk. Wanneer ons dochtertje geboren wordt, heb ik bevallingsverlof én aansluitend vakantie. Wat een timing! Ik kan haar voeden, koesteren en verzorgen. Dat is magisch. Toch loert de ratrace alweer om de hoek. Want ik moet meedraaien. Ik moet klaar zijn. Maar ‘klaar’, wat is dat precies?

Quasi elke mama voorspelt grote waterlanders wanneer de kraamtijd eindigt. Het is ‘normaal’. Het hoort erbij. Mijn collega vergeleek het met spijt na een mooie vakantie. Kan best. Toch ligt het voor mij net iets anders. Ik liet op het werk geen traan, maar dat bleek een bedrieglijk valse start. Achteraf gezien zat het goed fout. In mijn lijf én in mijn hoofd. Ik stond voor een beangstigend parcours met gruwelijke dalen.

Intussen heb ik het gevoel dat ik weer mee kan. Recent had ik voor de tweede keer mijn eerste werkdag. Ik vertel je graag hoe die verliep, maar in het schrijven hol ik mezelf niet voorbij. Ik neem je mee naar het begin. Oordeel vooral zelf hoeveel ‘geluk’ ik had…

Poging 1

De minieme lichamelijke vleeswonden die ik overhield aan de bevalling zijn genezen. Ik heb zelfs al een paar keer geprobeerd om te gaan joggen. De borstvoeding werd geleidelijk afgebouwd. Bij mij geen kloven en niet één keer pijn. Wat heb ik geluk! Harte leert nu drinken van het flesje, maar huilt soms omdat ze huidhonger heeft. Zelf heb ik nog regelmatig stuwing, dus stop ik best kompressen achter mijn bloes wanneer ik weer voor de klas zal staan.

Harte kan nog niet zitten, laat staan zich verstaanbaar maken. Als mama begrijp ik haar het best, dus speel ik voor babyvertaler en schrijf ik een handleiding voor de opvang. Met haar onthaalmama klikt het meteen en het is bovendien vlakbij. Hier kan ik haar met een gerust hart achterlaten. Dubbel geluk!

Het doet pijn dat ik nu niet meer fulltime mama kan zijn. Wanneer ik mijn nette kleren strijk en voor het eerst weer een likje make-up probeer aan te brengen, huil ik alsof er iemand dood is. Ik zie er goed uit, zeggen ze. De extra kilootjes staan me niet verkeerd. Van de 16 houdt mijn tengere lijf er slechts 3 over. Ja, amai ik weet het! Heb ik al gezegd dat ik geluk heb?

Apentrots vertel ik de nieuwe klasgroepen over ons pasgeboren schatje. Trots toon ik een foto op mijn telefoon. “Oooh, wat schattig!”, klinkt het in koor. Het kwetst me niet wanneer ik het vertel. Tot in de negende klas een pientere meid met bezorgde ogen vraagt; “Waar is ze nu dan?!” Ik slik, maar glimlach en blijf de schijn hoog houden.

Mijn bekken is nog niet helemaal stabiel, dus zorg ik op aanraden van kiné en osteo voor een aangepaste rugzak. Ook mijn blaas is duidelijk nog niet geconditioneerd door het belsignaal. Sneakers helpen me makkelijker van gebouw tot gebouw te hollen. Wanneer je ’t me vraagt, gaat nog steeds alles goed. Wij hebben geluk en daar ben ik dankbaar voor.

Eén trimester later zit ik uit stress op handen en knieën voor de pot wanneer ik eigenlijk naar het werk zou moeten vertrekken. Het is niet zozeer mijn agenda, maar vooral mijn hoofd dat vol zit. Ik zorg prima voor Harte, maar niet voor mezelf. Al een tijdje niet meer. Ik zit vast. Dus ben ik verplicht even thuis om mezelf te herontdekken - of heruit te vinden. Want die oude ik, die is er niet meer.

Time-out

De cijfers over moeders met een postpartum depressie maken me bang. De kans op herval is groot. De herstelperiode lang. Ik werk hard en leer veel over mezelf. Samen met een psychotherapeut ontrafel ik de stukjes van mijn persoonlijkheid die me hier gebracht hebben. Het blijkt een diep dal waar ik doorheen moet.

Overdag flirt ik al koorddansend met de diepte. ’s Nachts tuimel ik er onverbiddelijk in. Huilbuien, paniekaanvallen, hyperventilatie en koortsig ijlen worden mijn regelmaat. Nachtmerries brengen alle demonen naar boven. ’s Ochtends kots ik ze eruit en zoek ik verlichting in een boswandeling of met een sessie yoga.

Na verdriet, schaamte en woede ga ik schrijven. Ik doe het voor mezelf. Tot mijn verwondering word ik plots uit alle hoeken benaderd. Het zijn doorgaans sterke, ondernemende, perfectionistisch ingestelde en sensitieve vrouwen die zich in mijn verhaal herkennen. Vaak zenden ze een privébericht, of is het een bezorgde partner, ouder of vriendin die mijn artikels deelt. Het geeft me voor het eerst weer het gevoel dat ik iets bijdraag buiten het moederschap. Dat ik door het willen doorbreken van dit taboe nog steeds de moeite waard ben.

Poging 2

Intussen had ik mijn tweede eerste werkdag. De eerste les liet ik een traan. Niet omdat onze dochter van me weg is, maar omdat ik er weer sta. Ik had even geen geluk, maar het is me wel gelukt. Om er weer te staan. Dit keer kwetsbaar. Gevoelens, die mogen er zijn. En imperfecties ook. Dat vertel ik nu aan de jongeren voor me op de schoolbanken. Vaak. Zo vaak dat ik het bijna zelf nog ga beginnen snappen.

Op school is het altijd en overal luid. Wanneer mijn hoofd overvol zit, zonder ik me af. Ik houd geen energie over voor een babbeltje tijdens de pauze, dus focus ik me op het bewaren van de rust binnenin. In geval van nood, heb ik oordopjes bij. Wanneer het even lukt, vlucht ik tijdens de middagpauze naar een naburig bos. Ook daar hoor ik de kinderen spelen, de band repeteren en de muziek die door de boxen op de speelplaats giert. Onze mooie school is een vrolijke en deugddoende plek, maar te veel is soms gewoon te veel.

Doordat ik zo gevoelig ben, voel ik mijn publiek goed aan. De slaaptekorten, faalangst en “je m’en fous” gaan zelden aan mij voorbij. Ik slorp ze allemaal op. Ook de vragende blikken branden wanneer mijn leerlingen eventjes bij me willen ventileren. In zulke gesprekken geef ik meer dan ik op dit moment te bieden heb, dus durf ik bij ernstige problematiek doorwijzen naar een hiervoor bevoegd iemand.

Blijkbaar kan ik toch niet altijd alles zelf – ook al dacht ik dat wel. Voordien was ik bang voor de kracht van een “nee”. Ik lulde me eruit, werd defensief of zette een streng “Ik ben hier de leerkracht!”-gezicht op. Nu ben ik gewoon mezelf. “Nee, ik heb niet geantwoord op je mailtje gisteravond. Ons dochtertje maakt koorts en ik heb niet meer gekeken.”; zeg ik dan. “Oh… Wens haar veel beterschap!”, klinkt het oprecht. Tieners moet je heus niet leren om empathisch te zijn, tenminste niet wanneer je zelf authentiek bent. Althans zo ervaar ik het. Ik laat mijn gevoelens er zijn en bewaak mijn grenzen streng. Wanneer die overschreden worden, maak ik me niet langer boos. Ik kaart het gewoon aan op een manier die voor mij juist voelt. Zo hoef ik er later zelf niet lang wakker van te liggen.

Zoals je hoort is er in het prille leven van onze dochter niets spectaculair mis gegaan. Je zou zelfs kunnen stellen dat ik op veel vlakken ‘geluk’ gehad heb met de prima omstandigheden na de geboorte. Toch hoor ik bij de 20% die struggelt. Ja, in dat opzicht ben ook ik ‘normaal’.

Een wijze moeder vertelde mij dat de shit waarin ik zat het grootste geschenk was dat de natuur mij op dit moment kon schenken. Het stond me toe te resetten en de sprong te wagen. Eerst in het diepe, dan erdoorheen. Nu met meer zelfkennis en op naar de volgende uitdaging. Die luidt om voortaan steeds dicht bij mezelf te blijven en naast voor ons dochtertje, vooral ook goed voor mezelf te zorgen.

Dus aan alle moeders en vaders die voor een muur staan; laat het vooral pijn doen. Het is de achterzijde van jullie onvoorwaardelijke liefde. Pas wanneer je ’t echt gevoeld hebt, kan het weer gaan. Wanneer je de bodem hebt bereikt, is de verlossing dichterbij dan ooit en zal je weldra als herboren weer naar adem happen.