Wat als je kleinste spruit voor het eerst naar school gaat?

De eerste schooldag van je kleine spruit, dat is als de eerste dag onthaalmoeder of crèche: je moet je kind weer een beetje loslaten. Verschillende scenario’s zijn mogelijk: ofwel huilt er niemand, ofwel één van de twee, ofwel huil je allebei. Wat de uitslag van je rapport is, weet je pas achteraf.

Voor

Je zal niet huilen op 1 september. Echt. Je hebt het jezelf voorgenomen. Niemand brengt je van de wijs. Ook dat kleine ukje van je niet.

Je probeert al een week op voorhand het beeld voor de geest te halen, ter mentale voorbereiding. Je ziet haar dapper de speelplaats oversteken op haar schoenmaat 23, het rozerode rugzakje met daarop ‘Happy girl’ keurig rond haar ieniemienie lichaampje gesnoerd.  

Too cute, denk je dan. Dat is ook wel zo, een beetje. Maar je wijkt af.

Uiteindelijk moet je het zo bekijken: je hebt het al eens meegemaakt, je kent het systeem. Korte pijn, zwaai zwaai. ‘Daa-aag kleine meid! Tot zo! Mama houdt van jou! En nog veel meer! Tot aan de maan! En dan weer terug!’ Nee, dat zou te lang zijn. ‘Da-aag! Tot straks!’

Zo zal dat ongetwijfeld gaan. Geen zakdoeken nodig hier. Alle andere kinderen zullen je glimlachend toekijken, vertederd door het geslaagde afscheid.

Na

Vreemd. De weg die je in je hoofd al zo veel keer op voorhand had ingeoefend lijkt ineens een pak langer. Het begint al bij de auto: je wil nog snel een foto nemen van de twee zusjes die nu samen voor het eerst naar school gaan. Slik. Een krop in de keel. Haastig haal je adem, waardoor het weer een beetje zakt.

Je probeert je weer te concentreren, je steekt over. De speelplaats op, de massa in. Grote nicht en haar vriendinnen komen enthousiast toejuichen. Je voelt zachte schokjes aan je hand: het is zij die hem dichter naar haar wang toetrekt. ‘Mama. Mijn mama’, hoor je haar mompelen. Je krijgt een knoop in je maag. Probeert de krop weer weg te slikken.

Poortje door, kleuterspeelplaats op, de knoop wordt weer groter. ‘Stel je niet zo aan, mens’, denk je bij jezelf.

Rechtstreeks de kleuterklas in; dat mocht van de juf op de instapdag. Je neemt haar rugzakje van haar schouders, ze verweert zich. Neeee! Niet mijn rugzak, mijn laatste houvast! Een andere instapper begint hartverscheurend te huilen. In je binnenste vervloek je dat kind, want je vreest dat zijn gehuil aanstekelijk zal werken.

Het kleine euvel lost zich op, we trekken samen naar een tafel met speelgoed in het midden van de klas. ‘Ho kijk daar, een boerderij!’ Je probeert het wat te rekken. Ziet andere instappers die flink aan het spelen zijn. Dat geeft je nieuwe moed. Je denkt: ‘Het gaat lukken.’

De bel gaat. Je probeert rationeel te zijn. Je hoort jezelf aan een 2,5 jaar oude peuter uitleggen dat ze nu op school moet blijven, ’s middags moet eten bij de naschoolse onthaalmoeder en dan nadien nog een klein beetje naar school moet. ‘Mama komt je dan vanavond halen, na school.’ Haar ogen staan vol vragen. ‘Wat in the name is mijn moeder hier aan het zeggen?’

Je staat op. Ze hangt aan je been. En laat niet meer los. Je kijkt in paniek naar de vader, die al in de gang staat en een veilige afstand heeft weten te bewaren. ‘Het is tijd’, lees je in zijn ogen. ‘Nog eventjes’, denk je. Maar het is tijd. En je weet het. Je laat los. En hoort anderhalve seconde later een kind hartverscheurend huilen. Het is jouw kind. En ze roept jou. ‘Maa-maaaaaaaaa!’

Je haalt nog net de deur om in tranen uit te barsten. Met tuiten. Net als zij. Het gaat wel over, denk je. En het gaat ook écht wel over. Ze worden, als alles goed gaat, groot. Wij worden, als alles goed gaat, oud. En ergens in het midden moeten we elkaar telkens een beetje meer loslaten. Je weet nu al dat dat gepaard zal gaan met kilo’s snot, liters tranen en honderden knopen in de maag. Dat zit blijkbaar standaard in het ouderschapspakket. Of je nu wil of niet...