7 dingen waarop een dokter een aanstaande mama controleert

  • door Mamabaas

Het prenataal onderzoek is er niet alleen om de evolutie en de groei van de foetus of baby vast te stellen, maar ook om de gezondheidstoestand van de mama in de gaten te houden. Concreet wordt er op zeven vlakken gecontroleerd.

  1. Je vordering in de zwangerschap
  2. Je gewicht
  3. Je urine
  4. Je bloeddruk
  5. De harttonen en de bewegingen van het kind
  6. Je baarmoeder
  7. Het vaginaal onderzoek

1. Je vordering in de zwangerschap

Op twaalf weken heeft een arts vanzelfsprekend andere verwachtingen dan op 37 weken. Daarom is het ook zo belangrijk het begin van je zwangerschap te kennen. Je laatste menstruatie bijhouden, eventueel een basale temperatuurcurve opstellen en vroeg in de zwangerschap consulteren, kunnen daar zeker al bij helpen.

2. Je gewicht

Bij elk spreekuur word je gewogen. Dat is misschien wat frustrerend, maar je mag nu wel wat aankomen; gemiddeld is dat een twaalftal kilo per zwangerschap. Ben je erg mager, dan mag dat zelfs iets meer zijn; heb je al wat reserve, dan kan het met minder. Een normale maar geleidelijke gewichtstoename is een teken dat je foetus het goed heeft.

Als je te veel aankomt tijdens de zwangerschap, loop je meer kans dat je na de zwangerschap de extra kilo’s niet kwijtraakt en verhoog je op termijn ook je risico op overgewicht. Ook je baby loopt een groter gevaar te zwaar te worden, met verschillende risico’s als gevolg, zoals meer kans op het ontwikkelen van suikerziekte en hoge bloeddruk.

Ook interessant: Help, ik kom te veel/te weinig aan

 

Hoeveel mag ik bijkomen? 

De gemiddelde gewichtstoename bedraagt 13 kilo. Het hangt van je BMI af hoeveel je mag aankomen tijdens de zwangerschap. Je BMI bereken je door je gewicht (in kilogram) te delen door het kwadraat van je lengte (in meter). Weeg je bijvoorbeeld 56 kilo en ben je 1,68 m groot, dan is je BMI 56/(1,68)2 of 19,8 (= normaal).

  • Voor een normale BMI (18,5 tot 24,9) wordt een gewichtstoename tussen 11,5 en 16 kilo aangeraden.
  • Ben je mager (BMI lager dan 18,5), dan mag dat wat meer zijn, namelijk 12,5 tot 18 kilo.
  • Heb je overgewicht (BMI 25-30), dan wordt dit 7 tot 11,5 kilo
  • Bij obesitas (BMI meer dan 30) mag je zelfs wat afvallen

3. Het urineonderzoek

Je urine wordt bij elk onderzoek onderzocht op suiker en eiwitten.

  • Suiker

Een beetje suiker in de urine tijdens de zwangerschap is meestal geen reden om te panikeren: je nieren werken meer (je moet frequenter plassen) en laten daardoor gemakkelijker suikers door hun filters glippen. Eet je ’s morgens bijvoorbeeld wat meer gesuikerde ontbijtgranen met een banaan, dan is die test bij velen positief, zonder dat het iets met suikerziekte heeft te maken.

Om specifiek te onderzoeken of je al dan niet zou lijden aan zwangerschapsdiabetes of zwangerschapssuikerziekte, wordt rond 24 weken een bloedtest gedaan. Zwangerschapssuikerziekte of -diabetes komt toch bij 3 tot 5 procent van de vrouwen voor en wordt veroorzaakt door het omgooien van de stofwisseling door de enorme concentraties aan zwangerschapshormonen.

  • Eiwitten

Eiwitten horen niet thuis in de urine. Samen met een hoge bloeddruk kunnen ze wijzen op een pre-eclampsie of zwangerschapsvergiftiging. In dat geval is het nodig om op tijd de juiste zorg te kunnen verstrekken. Soms wijzen ze ook op een urinewegontsteking (zie ook ons boek 'Mama worden'), die gemakkelijk op de juiste manier kan worden behandeld.

4. De bloeddruk

Ondanks het feit dat je hartdebiet en je bloedvolume tijdens een zwangerschap enorm toenemen (met bijna 50 procent) zal je bloeddruk eerder dalen. Zelf zul je vooral van die lagere bloeddruk soms last hebben.

Je arts let vooral op een hoge bloeddruk, meer bepaald een bloeddruk die herhaaldelijk boven de 140/90 rijst.

Samen met eiwitten in de urine kan dat wijzen op een pre-eclampsie of zwangerschapsvergiftiging. In zo’n geval heb je de juiste medische zorg nodig in een ziekenhuis.

5. Het onderzoek van de harttonen en de bewegingen van het kind

Vanaf een twaalftal weken kan je arts je de foetale harttonen met een doptone laten horen (echografisch heb je het hartje misschien al veel vroeger, vanaf zes tot zeven weken, zien kloppen). Voor heel veel mama’s is dit een heel emotioneel en geruststellend moment, zeker als je het hartje voor de eerste keer hoort. Het hartje snel horen kloppen, tussen de 120 tot 170 slagen per minuut, bevestigt dat de foetus leeft en het vormt ook een erg belangrijke aanwijzing dat het goed gaat met je baby.

  • Aan de monitor: de cardiotocografie

Om de hartslag van de baby en de activiteit van de baarmoeder te controleren, kan de arts desgewenst een cardiotocografie (via een monitor) uitvoeren. Vaak gebeurt dit aan het einde van de zwangerschap, tussen week 36 en week 41 1/2. Ook tijdens de (natuurlijke) bevalling word je aan de monitor gelegd, om de weeënactiviteit en de hartslag van de baby te kunnen volgen. Je krijgt twee banden rond je buik, met daaronder een ultrageluidstop om de harttonen te beluisteren en een drukregistratiestop om de baarmoederactiviteit te meten. Je kunt bij dit onderzoek ook de hartslag van de baby horen. De hartslag en baarmoederactiviteit worden geregistreerd op papier of opgeslagen in een computerbestand. Dit duurt gemiddeld zo’n halfuurtje (en bij de bevalling voortdurend).

De meeste activiteit vindt plaats tussen 21 uur en 1 uur ’s nachts. Sommige onderzoeken zeggen dat dat samenhangt met het suikergehalte van het bloed van de moeder, maar daar bestaat discussie over. Bewegen is een teken van foetaal welzijn en geluk. Sommigen zijn hevig, anderen rustiger, en weer anderen hebben een wat voorspelbaar ritme. Ook een baby slaapt af en toe. De rustperiode bij een normale foetus duurt meestal maar veertig en niet langer dan 75 minuten.

Naar het einde van de zwangerschap toe beweegt een baby wat minder, omdat hij niet veel plaats meer heeft. Gemiddeld meet men negentig bewegingen per week in week 32 versus vijftig per week op het einde van de zwangerschap.

De intensiteit en het patroon van de bewegingen kunnen veranderen. Leer je baby kennen; zolang je hem regelmatig voelt bewegen, kun je gerust zijn. Wat ‘regelmatig genoeg’ of het minimum is, is moeilijk te zeggen. Meestal is dat, als je er wat op let, toch minstens tien keer per dag. Maar elke foetus heeft zijn eigen activiteitsniveau, en dat kan erg verschillend zijn (net als bij volwassenen trouwens)

LEES OOK: prof. dr. Bernard Splitz over 'Hoe vaak moet mijn baby bewegen in de buik?'

6. Het onderzoek van de baarmoeder

De groei en de grootte van de baarmoeder worden stelselmatig opgevolgd. Vanaf twaalf weken verlaat de baarmoeder het bekken: dan kun je hem boven de schaamboog voelen. Daarna zal hij elke week met ongeveer een centimeter toenemen. Halfweg de zwangerschap, in week 20, reikt de bovenkant van de baarmoeder tot aan de navel. Is je baarmoeder op dat moment veel kleiner of veel groter, dan kan het zijn dat je misschien toch al verder zit in de zwangerschap en dat de inschatting van de zwangerschapsduur niet helemaal juist is. Maar het is ook goed om te weten dat de ene zwangere vrouw niet de andere is.

Misschien draag je wel een tweeling: dan is de baarmoeder automatisch groter. Bij twijfel laat je je het best verder onderzoeken. In het begin van een zwangerschap heeft de foetus veel plaats en is hij heel mobiel. Hij zwemt als het ware als een vis in een aquarium. Naar het einde van de zwangerschap toe wordt dat anders. Je arts bepaalt de ligging van de foetus en kijkt waar het hoofdje ligt, waar de stuit en het rugje zich bevinden, waar de voetjes zijn en of hij of zij al is ingedaald.

7. Het vaginaal onderzoek

Het vaginaal onderzoek schrikt veel vrouwen af. Het is ingrijpend en raakt een persoonlijke en intieme zone. Vroeger werd bij elk prenataal onderzoek quasi-systematisch ook een vaginaal onderzoek gedaan. Momenteel is dat niet meer het geval: een vaginaal onderzoek zal alleen worden uitgevoerd bij bepaalde problemen.

Bij niet-verklaard bloedverlies of bij mogelijk te vroeg gebroken vruchtvliezen mag geen vaginaal onderzoek gedaan worden.

Op het einde van de zwangerschap kan een vaginaal onderzoek wel helpen de ligging en de indaling van de baby te bepalen. Het vertelt namelijk iets over de toestand van de baarmoederhals: die is normaal gezien relatief hard, goed gesloten en hoog gelegen. Naarmate de hals weker, dunner en meer ontsloten wordt, is er minder weerstand en wordt een geboorte gemakkelijker. Daarom is het nuttig dat, als het kindje geboren mag worden, de baarmoederhals op het einde van de zwangerschap al wat ‘uitrijpt’ en dus week genoeg is. Belangrijk is dat de arts altijd goed uitlegt waarom dit onderzoek gebeurt en wat er precies zal gebeuren. Uiteraard moet je privacy gerespecteerd worden. Je kunt altijd vragen of iemand je vergezelt, als dat je geruststelt.

Meer lezen?

Algemeen zijn er twee soorten prenatale onderzoeken, voor mama en voor de baby. Voor het kleintje in je buik zijn vooral de echografieën en de prenatale testen belangrijk.

Je kan er meer over lezen in onze mamabijbel 'Mama worden'. De belangrijkste punten kan je ook terugvinden op onze website! 

En ook nog: