Chronische pijn en zwanger: wat een achtbaan

  • door Mama

Jarenlang heb ik mijn kinderwens van de daken geschreeuwd. Facebook werd overspoeld door kersverse, nog gerimpelde, pasgeboren wezentjes. Net als mijn hart werd overspoeld door zo’n onbeschrijfelijk gemis. Het is niet zo dat je andere mensen dat geluk niet gunt. Maar je gunt het jezelf ook. En als je van jezelf weet dat het voor jou net dat tikkeltje ingewikkelder gaat zijn, een beetje risicovoller, dan lijkt het een ongrijpbare droom. Maar ik heb mijn kans gewaagd en mijn droom letterlijk met twee handen stevig vastgegrepen.

Ik wou jullie dat toch eventjes vertellen. ’t Was toch een heel avontuur. Maar dromen hoeven niet te stoppen wanneer een medisch parcours dat ook nooit doet. Er is hoop.

Mijn roze wolken waren eerder ’50 tinten grijs’

Dat lijf, dat mij zoveel pijn en verdriet heeft gedaan, heeft een leven gemaakt. Een perfect, klein mensje. Eerlijk waar, ik kon het maar niet geloven tot ik dit mooie jongetje al enkele dagen in mijn armen had. Nu, ondertussen vier maanden later, zijn er nog steeds momenten dat ik verwonderd naar mijn kind kijk met datzelfde ongeloof.

Angst

Ik heb mijn lijf nooit het vertrouwen gegund dat het deze belangrijke taak zou kunnen volbrengen. Laat staan zo foutloos. De hele zwangerschap wachtte ik af tot er iets mis zou lopen. Mijn kind moest immers groot worden in een ziek lichaam. Hij leefde in hetzelfde huis als die lelijke vaattumor. Pijntjes of onregelmatigheden plaatste ik steevast in het vakje: ‘Er is iets mis.’ Ik doorstond angsten die ik nooit eerder had ervaren. De schrik dat mijn lijf dit ongeboren wonder iets tekort zou doen, zat er dik in. Het was zodanig overheersend dat ik niet kon genieten van die groeiende buik. Hoe hard ik ook probeerde, in mijn achterhoofd bleven zich rampscenario’s afspelen. Ik kon maar niet geloven dat dit geluk me gegund zou zijn. Dat klinkt nu verschrikkelijk pessimistisch.

Ik voelde me mezelf niet. Het MonsterMeisje dat doorheen de jaren wel met dat woeste beest wist om te gaan, op een sporadisch verdrietig moment na, leek met de noorderzon vertrokken. Een echte bangeschijter bleef achter. Soms stond ik al huilend op, om troost te gaan zoeken bij mijn vriend, wiens armen altijd wijd open stonden en waar ik gewoon lekker tegen kon lullen zonder mijn tranen te begrijpen. Tegelijkertijd kon ik zo woedend zijn op mezelf. Godverdomme, nu heb je waar je al die jaren van gedroomd hebt. En nu ben je nog niet gelukkig! Trut! Zo ongelooflijk streng voor mezelf. ’t Was ook heel moeilijk om daar eerlijk over te zijn. Want hoe kun je nu niet op wolkjes lopen als je grote droom in je buik groeit? Ook het neerschrijven piekt een beetje.

Kotsbeu was ik het, die constante angst. De dagen sleepten zich moeizaam voorbij. Het aftellen naar een dag in oktober was een dagelijkse strijd tegen de tijd. Op mijn zetel. Naarmate mijn buik dikker werd, werd mijn monster weer sterker en mijn lijf zwakker.  Het heeft enorm veel van mij gevraagd, zowel fysiek als mentaal. Ik wachtte vol ongeduld op de alom besproken zwangerschapsgloed en dé roze wolk. Maar besefte hoe langer hoe meer dat die gloed gewoon zweet was en die wolk ook best ‘50 tinten grijs’ konden aannemen.

Op de achtbaan als je zwanger bent

Er volgden enkele angstaanjagende momenten. Naast de typische zwangerschapskwalen – lees: kotsen van ’s morgens tot ’s avonds, flauwvallen, een bloeding die heel mijn wereld stil deed staan, bekkeninstabiliteit, harde buiken tot het pijnlijke toe – voelde ik dat mijn monster de race aan het inhalen was. Mijn lijf was op. Ik was op. Daar waar dat beest zich tot ieders grote verbazing koest hield tot de vijfde maand van de zwangerschap, ging het daarna in een razendsnel tempo. Ergens in het midden van de zoveelste slapeloze nacht besloot ik dan ook dat het tijd was om medische hulp te zoeken. “Zorg dat ze Otis redden als mijn lijf het opgeeft”, zei ik tegen mijn vriend. Ik dacht oprecht dat ik de eindmeet niet zou halen.

Diezelfde ochtend vertrokken we naar het UZA waar het ene na het andere onderzoek elkaar opvolgde. Ik was bang. Vooral voor mijn kind maar ook voor mezelf. Wat als ik hem na acht maanden hard werken en jarenlang eindeloos dromen niet zou kunnen zien opgroeien? Ik zag artsen van verschillende specialisaties. Het ging razendsnel en tegelijkertijd niet snel genoeg. De echografie van mijn monster – op de afdeling waar ik ondertussen bijna een beroemdheid ben – toonde overduidelijk dat ik mijn lijf het beste ken. Immense holtes vulden het beeld wederom met alle kleuren van de regenboog. “Je hebt precies wel een hoge hartslag”, zei Hilde. Dat is de madam die de echo’s maakt, echt een schat van een vrouw. Ik kende haar al van een vorig bezoek maar ’t was toch ongeveer drie jaar geleden, schat ik. Mijn hartslag bleek enorm hoog en mijn bloeddruk te laag. Het bloed geraakte dus maar moeilijk rond. Toevallig kwam Chantal net langs op de afdeling na een operatie. Ik was blij haar te zien. “Tot 39 weken gaan we niet meer wachten. Wie weet heb je je kindje morgen in je armen. Je hebt het echt goed gedaan.” Slik. Maar ik kon me tijdelijk optrekken aan haar optimisme. Welgeteld vijf minuten.

Na een bezoekje aan de cardioloog werd er besloten om niet direct in te grijpen. Mijn hart was ‘still going strong’, zoals we het kennen. Maar ik moest wel opgenomen worden. Terug naar huis gaan was te risicovol. Er werden longrijpingsspuitjes toegediend om dat kleintje de beste kansen te bieden. Amai, zijn me dat pittige dingen!

“Je kind komt deze week nog”, werd me verteld. Ik was net geen 36 weken zwanger. Tranen schoten in mijn ogen hij het idee dat ik dat wonder plots vervroegd in mijn armen zou kunnen sluiten. Blij dat de zwangerschap erop zou zitten, angstig dat bij niet de beste kansen zou krijgen, boos en teleurgesteld op mijn lijf dat ze die laatste loodjes niet meer kon dragen. Over een rollercoaster van emoties gesproken. Terwijl dat niet mag hé, op de achtbaan als je zwanger bent.

Maar mijn hart bleef het dus goed doen (gelukkig!) waardoor toch besloten werd om zolang mogelijk te wachten. Dat had de professor beslist. De reeds geplande keizersnede zou een week vervroegd worden. Chantal heeft altijd benadrukt dat ik zwanger mocht worden, maar dat ik absoluut niet natuurlijk mocht bevallen. “Dan sterf jij en dan ook je kind”, had ze me in het begin van deze toch wel turbulente reis gezegd. Die zin heeft zich toch wel zo’n 23 keer als een echo herhaald in elke vezel van mijn zijn. 16 Oktober zou ons kereltje mogen komen. Af-tel-len.

Kamperen in het UZA

En zo begonnen we aan een ziekenhuisopname van drie weken. Drie weken waarbij de stagiaire iedere ochtend tussen half zes en zeven uur ‘s morgens met de monitor onze kamer binnen kwam. Het dagelijkse half uur naar de hartslag van onze zoon luisteren, terwijl de nacht langzaam uit mijn lijf verdween en de zon op haar gemak tevoorschijn kwam. Ik heb er de mooiste luchttaferelen mogen aanschouwen. Ondertussen deden de artsen hun ronde, at ik boterhammen met pindakaas – die we van thuis hadden laten meebrengen – en genoot ik van buikbaby’s pogingen om de monitor van mijn buik af te stampen. Een beetje zoals kamperen met medische apparaten rond je buik. Vooral voor mijn vriend, die ocharme drie weken op zo’n kweet-niet-hoe-dun matrasje sliep.

Het verblijf werd een aaneenschakeling van slapeloze nachten, waar onderzoeken werden opgestart, na een druk op de rode knop, omdat de druk op mijn borst ondragelijk groot werd. Nachten waarin verschillende dokters over de vloer kwamen die zo hard hun best deden maar ook niet goed wisten wat ze precies voor me konden doen. Momenten dat er getwijfeld werd of babyboy zich toch niet vroeger zou aanmelden. Nog meer onderzoeken. EEGs, bloedafnames, echo’s, minder plezante inwendige toestanden, pijnstilling en een ontelbaar aantal icepacks.

De dagen bestonden uit sudoku’s maken, tv kijken en enkele rondjes per dag op de afdeling rondwandelen om trombose te vermijden en even van de kamer af te kunnen zijn. Iedere ochtend een gevecht met de steunkousen. Zoektochtjes naar beter voedsel dan het ziekenhuiseten, al kwam het uit een snoepautomaat. Tripjes naar de dienst cardiologie en gynaecologie. Die laatste was de topattractie van de camping, want dan mochten we ons kind zien en de vooruitgang die hij nog steeds moeiteloos maakte.

Ik waggelde langs de kamers en las samen met mijn vriend de geboortekaartjes die langs de kamerdeuren werden opgehangen. Diezelfde geboortekaartjes zagen we dan ook weer verdwijnen, want een gemiddelde ziekenhuisopname na een bevalling duurt maar drie dagen. We zagen zoveel kersverse gezinnen komen en gaan. Moeders met hun spiksplinternieuwe baby, nog zonder eerste outfit, in hun armen voortgeduwd zien worden in een rolstoel. Een trotse vader achter hen aan, met een fototoestel in hun hand. Ze kwamen vanachter die grote witte dubbele deur waarachter de magische bevallingsruimtes verscholen lagen. Dan was ik een beetje jaloers op die moeders die uitgeput maar zo voldaan naar hun baby keken, op weg naar hun kamer. Hoopvol aftellend naar de dag dat wij deze deuren achter onze rug mochten zien sluiten. Dat leek op dat moment nog zo ver weg. Alsof we die eindmeet nooit zouden halen, terwijl iedereen ons voorbij spurtte. Echt, zo leek dat.

En wat ik zeker niet mag vergeten te vermelden, zijn de mooie mensen die wij hebben mogen ontmoeten op route 28. We waren daar oprecht van aangedaan. We zijn daar zo goed verzorgd geweest, met zoveel respect. Niks was hen teveel. Die vroedvrouwen, stuk voor stuk parels van madammen.

Boem, pats, hopla… Otis!

Maandag 15 oktober. De laatste dag dat ik geen sushi mag eten! Hoera! Vandaag werd het nog maar eens duidelijk hoe hard het personeel met ons meeleefde. We werden langs alle kanten aangemoedigd: “Morgen is het zover!”, “Ge hebt het gehaald!”, “Uw laatste loodje is begonnen!” Heel fijn zo, de ziekenhuisfamilie. Wandelingen op de gang begonnen verdacht hard te lijken op promenades door een dorp waar je heel je leven gewoond hebt: Je kent iedereen, iedereen praat met elkaar en iedereen weet alles van je. Maar dan ook echt alles. Geheimen bestonden niet meer.

Mijn vriend en ik namen tijd voor elkaar, zoals die laatste twee weken, op ons kleine ziekenhuiskamertje, E421. Afscheid nemen van mijn buik – Wist ik veel dat die er nog wel even zou zijn na de geboorte. Het ziekenhuiskleedje werd klaargelegd, de anesthesist kwam nog eens langs en toch bleef alles heel onwezenlijk. Alsof mijn leven niet drastisch zou veranderen over welgeteld twaalf uur.

Elf.

Tien.

Negen.

Acht.

Zeven.

Zes.

Vijf.

Vier.

Drie.

Ondanks de mooie planning van vroedvrouw Jolien om op te staan rond 7 uur, zodat ik niet te vroeg wakker was en met een pijnlijk lege maag aan de ingreep moest beginnen of de zenuwen te veel kans zou geven om zich te vermenigvuldigen, was ik om 6 uur al aan het duimdraaien en met man en macht aan het proberen om maar geen blik op de klok te werpen. Doucheke, ontbijt overslaan, nog enkele foto’s van de buik en daar waren ze. Met een glimlach van oor tot oor. Voor het eerst in m’n leven met vreugde naar een operatiekwartier.

Mijn vriend moest nog even op de kamer blijven. Geen toeschouwers toegelaten tijdens de voorbereidingen. Dat moeten de langste minuten van zijn leven geweest zijn. Joh, die keizersnede zelf. Dat verhaal ga ik jullie besparen. Maar neem aan dat ik mijn verzameling van medische trauma’s kon aanvullen. Maar dat was ik snel vergeten want: Wauw! Wat een euforisch gevoel bij het horen van die allereerste schreeuw ooit. Het is niet te beschrijven wat dat met je doet. Ik werd overspoeld door liefde en dankbaarheid. Hij is er, eindelijk. Dat kindje waar ik jarenlang naar heb uitgekeken.

BOEM

PATS

HOPLA

Daar was ie dan… De roze wolk.

 

Deze blog verscheen eerder op Monster en het meisje.