Een wereld van verschil

Twee zwangerschappen, twee bevallingen. En twee totaal verschillende ervaringen. Begin dit jaar sloot ik mijn kleine Mary-Lou in de armen. En ik dacht op slag terug aan dezelfde dag twee jaar geleden, toen ik Mauro verwelkomde.

Twee zwangerschappen, twee bevallingen. En twee totaal verschillende ervaringen. Begin dit jaar sloot ik mijn kleine Mary-Lou in de armen. En ik dacht op slag terug aan dezelfde dag twee jaar geleden, toen ik Mauro verwelkomde. 

Het is zover

7 januari 2015. Ik ben 37 weken zwanger. Ik slaap onrustig. Dommel in slaap, schiet wakker. Buikpijn. Komt op, trekt weg. Een wee. Dit is onherroepelijk een wee. Ik dommel opnieuw in. Maar daar is het weer. Buikpijn. Komt op, trekt weg. Pijn. Ik kijk naar mijn wekker.

5u30. Ik maak Jef wakker. ‘Het is zover’, fluister ik. Klaarwakker is hij, onmiddellijk. Nog geen seconde later hoor ik hem opgewonden bellen. Met de peter van het kleine meisje in mijn buik. ‘Het is zover! Kom je?’

Het moet snel gaan. Amper tien minuten later zitten we in de taxi op weg naar het ziekenhuis en ligt de peter slaapdronken in onze zetel (met in zijn handen de babyfoon die in verbinding staat met ons kleine mannetje). 

Pijn, pijn en nog eens pijn

Onderweg wordt de pijn heviger. Ik zie de taxichauffeur bezorgd kijken in de achteruitkijkspiegel. ‘Gaat het, mevrouw?’ Jef schuifelt onrustig heen en weer. ‘Ik denk dat meneer precies zenuwachtiger is dan mevrouw?’ grapt de chauffeur.

Het is donker buiten. Ik adem diep in en uit en voel me verbazingwekkend rustig. Ik ben zo bewust van dit moment en neem alles in me op.

6u15. ‘Drie centimeter opening’, zegt de vroedvrouw. Ik haal opgelucht adem en voel me helemaal ontspannen. De pijn komt en gaat. Sneller, sneller, sneller. Steeds heviger. Onmogelijk hevig! Geen tijd voor epidurale verdoving. Ik concentreer me op de pijn, en probeer die zoveel mogelijk te relativeren. Kan ik zoveel pijn wel aan?

Super powers

7u40. Ik mag persen. Ik schakel alles uit en ben met mijn gedachten enkel bij haar, mijn dochtertje. Vier minuten later is ze er. Mary-Lou Boes, ons tweede gelukje.

Ze is gezond. Alles is goed en ik voel me intens gelukkig.  Ja, daar zijn ze, de tranen. Jef mag de navelstreng doorknippen, ze wordt op mijn buik gelegd en ik mag haar meteen voeden. Ik geniet, met volle teugen. Ik waan me wonderwoman.

En ik bedenk me ook hoe anders dit is dan twee jaar geleden. Twee jaar min een dag geleden. Dat is hoeveel mijn dochter en zoon schelen.

Grenzen aftasten

8 januari 2013. Ik ben 38 weken zwanger. Ik slaap onrustig. Dommel in, schiet wakker. Buikpijn, rugpijn. Ongemak.

9u. Jef zou naar Brussel vertrekken, maar besluit bij mij te blijven. Ik protesteer. Wat als het vals alarm is? Dan zou hij het zich beklagen dat hij niet vertrokken is. Ik heb al zoveel verhalen gehoord van vrouwen die dagenlang weeën moeten doorstaan, en mannen die er voor spek en bonen bijzitten.

Bovendien heb ik vooral rugpijn en geen buikpijn. Hevige rugpijn, dat wel. Mijn darmen rommelen, maar ik ga ervanuit dat ik wel iets verkeerds gegeten zal hebben. Ik probeer me sterk te houden. Want ze zeggen dat bevallen zoveel pijn doet dat je niets anders meer kunt doen, of denken. Ik probeer de pijn te meten. Heb ik een hoge pijngrens of niet? Hoeveel pijn doet dit? Is dit nu véél pijn? Is dit nu onhoudbaar? Ik weet het niet. Ik weet het écht niet. 

De commandant in me komt boven

10u00. Ik neem een bad. Dat zou deugd doen, zeggen ze. Ik houd het welgeteld 1 tel vol. Nee, slecht idee. ‘Bel een taxi!’ roep ik uit. Nu weet ik het zeker. Het is zover. Tussen twee hevige rugpijnscheuten door beveel ik Jef om veel lectuur mee te nemen. Het is saai voor mannen, bevallen. Dat hoor ik van iedereen.

11u30. De taxirit beleef ik in een roes. Ik hoor mezelf nog correcties roepen naar Jef, die voor alle zekerheid al aan de lijn hangt met de vormgever van het geboortekaartje. 

Vol ongeloof

11u45. De gang van het ziekenhuis lijkt langer dan ooit. Maar ik loop sneller dan ooit, ondanks de hoogzwangere buik en de twintig kilo extra. Ik ren naar de lift, en val er op de grond. Ik kan niet meer van de pijn. Ik begin te huilen. We komen toe op de kraamafdeling, maar er is nog geen kamer klaar. Great. Ik zit in een hoekje van een kamer zonder bed. Ik geef over in de vuilnisemmer.

Vijf voor twaalf. Letterlijk en figuurlijk. Twee vroedvrouwen staren me even vol ongeloof aan. Daarna schieten ze razendsnel in actie. ‘Negen centimeter opening, bel de gynaecoloog! Naar de arbeidskamer! Nu!’

Ik panikeer. Nee, nu toch nog niet? Ik wil nog naar mijn favoriete muziek luisteren, ik wil mijn ingestudeerde ademhalingsoefeningen doen, ik wil boos zijn op Jef omdat hij zich verveelt terwijl ik pijn heb. Ik wil voor epidurale verdoving kunnen kiezen. Ik kan nu toch nog niet bevallen? Ik ben er niet klaar voor …  Wat als ik één van die vrouwen ben die dit niet kan?

Liefde op het eerste gezicht

12u00. De pijn neemt mijn lichaam over. Ik ben niet op de wereld. Er staan mensen naast en rondom me. Vroedvrouwen, de gynaecoloog, de kinderarts en Jef, hoor ik achteraf. Maar ik zie het niet, op dat moment. De gynaecoloog roept dat ik naar hem moet luisteren. Het moet snel gaan, begrijp ik. Ik heb geen idee waarom. Pas vlak voor de geboorte van mijn dochtertje Mary-Lou ontdek ik de reden. Er zat ontlasting in het vruchtwater, en dat kan wijzen op complicaties.

12u15. Hij is er. Zo onwerkelijk. Onze sneltrein. Mauro Boes. ‘Je bent ongelooflijk! De vrouw van mijn leven’, fluistert Jef, en hij kust me heel intensief. Mauro wordt meteen gewassen, gewogen, gecontroleerd.

Pas na een eeuwigheid – zo lijkt het – krijg ik hem in mijn armen. Hij is perfect, hij is gezond. Hij voelt zo klein, kwetsbaar. Ik staar naar het kleine baby’tje en probeer mijn emoties aan te passen aan de realiteit. Het is liefde op het eerste gezicht, maar ik ben zo overweldigd door de snelheid en de kwetsbaarheid dat het maanden zal duren vooraleer ik me helemaal kan aanpassen aan mijn nieuwe leven. Ik ben mama. 

(copyright picture: Jef Boes)