Mijn aards paradijs

Hij kruipt zo dicht tegen mij aan dat ik denk dat hij mij uit het bed zal duwen. Zijn voorhoofd ligt zacht tegen het mijne, de puntjes van onze neuzen raken elkaar en ik voel zijn adem op mijn bovenlip. Hij trekt zijn beentjes op en legt zijn voeten in mijn schoot. Net als ik denk dat het niet schattiger kan, neemt hij mijn linkerhand en legt die kordaat op zijn rechterbeen.

“Zo”, zegt hij.

Het moment is zo verpletterend mooi dat ik mijn adem inhoud. Ik wil zó hard genieten dat ik bijna meer bezig ben met het idee van te móeten genieten dan met het moment zelf. Ik focus mij op zijn ademhaling.

Ik besef op dat moment, in die ene minuut, dat ik voor iemand de allerbelangrijkste persoon ter wereld ben. Het lukt me om daar niet angstig van te worden. Plots ervaar ik bijna letterlijk wat het is om je hart te voelen zwellen van liefde. Het gebons in mijn borstkas wordt tastbaar. Ik voel zowaar hoeveel plaats mijn hart inneemt en hoeveel warmte het uitstraalt tegen mijn ribben.

Terwijl ik naar zijn vredig gezicht kijk (ik moet ervan profiteren nu er geen deugnieterij op af te lezen staat), zie ik drie windpokkenvlekjes als een kruimelspoor naar zijn neusbrug lopen. Aan zijn rechteroog groeit één wimper omhoog, in plaats van mooi in de rij met de andere. De dunne adertjes op zijn gesloten oogleden zijn lichtpaars en verbazend doorzichtig.

Tot hij mij uit mijn zeemzoet gepieker haalt met zijn gegiechel. Zonder dat ik mij ervan bewust was, is hij met een spelletje begonnen. Hij piept door zijn wimpers om te kijken of mijn ogen open zijn, om daarna snel zijn ogen weer te sluiten als hij ziet dat ik kijk. Als ik hem even onopvallend doorheen mijn wimpers gadesla, zie ik hem telkens vliegensvlug zijn ogen open en toe doen om te controleren of mijn ogen nog steeds dicht zijn. Hij vindt het geweldig en ik bedenk dat ik misschien tóch graag kinderspelletjes speel.

Maar van spelletjes vallen kindjes niet in slaap, dus na nog vijf keer knipperen is het wel genoeg geweest.

En dan moet het mooiste nog komen.

Er ontspint zich een conversatie die zo ontroerend is dat ik ze van mijn leven niet meer wil vergeten.

***

“Doe maar je oogjes toe.”

“Maar dan is het zo donker.”

“Heb je nog een extra lichtje nodig?”

“Nu is dat niet nodig, mama. Jij bent er. Er zit een lichtje in je ogen en dat straalt zo hard dat het niet zo donker is. Maar als je weg bent, moet het lampje wel aan.”

***