Na de bevalling van mijn zorgenkindje: de lijdensweg in de kraamkliniek

  • door Gastmama

Eline schrijft op haar blog specialegevallen.blogspot.be over Wiebe, haar zoontje met een slokdarmatresie (een afwijking waarbij de verbinding tussen de keel en maag niet gemaakt is). Haar blog wil alle mama's met ziekenhuiskindjes een hart onder de riem steken: je bent niet alleen... Dit keer vertelt ze over het verblijf op de kraamafdeling net na de bevalling.

De kraamkliniek

Zeven dagen hield ik het vol op de afdeling materniteit.

De eerste twee dagen kon ik genieten van het gezelschap van een vrouw die na haar bevalling vlotjes onze kamer binnenwandelde alsof er niks gebeurd was. Persoonlijk kan ik me niet voorstellen dat een Flair interessanter kan zijn dan je pasgeboren dochter, maar voor haar was dat een vaststaand feit. Want haar dochter kon ze ‘toch niet zien door dat glas en met al die draden’. Tjah, dat is inderdaad niet altijd gemakkelijk.

Naast haar frappante uitspraken was ook haar bezoek een kwelling. Die zochten de frigo met bier telkens aan de verkeerde kant van het gordijn, terwijl ik daar lag te zwoegen en puffen om mijn pasgeboren baby van een paar ml melk te kunnen voorzien.
Als het dan eindelijk gelukt was iedereen van een feestelijk drankje te voorzien kweelde ze luidkeels verder. Over hoe gek de dokters wel niet waren geweest dat ze dachten dat ze een inspanning zou leveren om de bevalling 2 weken uit te stellen? Over hoe zwaar haar bevalling geweest was (die epiduraal deed raar aan haar benen). Gelukkig was ze toen snel in slaap kunnen vallen. En gelukkig bleef ze niet lang op de afdeling logeren.
Ik bleef bij Wiebe tot ik niet meer kon.

Naar het derde verdiep

De schade was al veel te groot toen ik eindelijk mijn eigen kamer kreeg. De enige kamer op de gang die het moest stellen met niet meer dan een foto.
Ik zag een kersverse mama na haar keizersnede de kamer binnengebracht worden. Ze had een fantastische glimlach. En een baby in haar armen. Een van de vele dingen die ik nooit ga vergeten.
Een dag na mijn keizersnede werd ik onderworpen aan het strenge regime van het ‘derde verdiep’.

Gedaan met luieren, vanaf nu mocht ik geen gebruik meer maken van de ligstoel om naar neonatologie te gaan. Ik moest twintig minuten rechtop zitten, in een gammele rolstoel, schokkend over de duidelijk-niet-voor-rolstoelen-aangelegde-gangen van het UZ. Om nog maar van de toegang tot de liften te zwijgen…
Eenmaal aangekomen, meer dood dan levend, kon ik met mijn laatste krachten net rechtstaan om een glimp van Wiebe op te vangen. Gelukkig beschikt neonato over vriendelijk en behulpzaam personeel. Zo geraakte ik geïnstalleerd in de relax waar er na een hoop gegoochel met kabels een klein lief jongetje op mijn schoot werd gelegd.
Lang kon ik nooit blijven genieten. Er moest gekolfd worden. Of Wiebe moest verzorgd worden. Of ik hield het niet meer uit van de pijn. Dat je vanuit die relax je kind niet kan zien. Dat vind ik erg.

Afkolven was een kwelling

Drie keer per dag ging ik naar Wiebe kijken. Na een week kon ik op een krukje zitten kijken, en ondertussen kolven, en blijven kijken, kijken, kijken. Op zijn eerste levensdag kreeg Wiebe al zijn eerste operatie. We gingen ervan uit dat we geluk zouden hebben, dat het stukje ontbrekende slokdarm minder dan twee wervels lang zou zijn en dat Wiebe wakker zou worden met een aan elkaar gehechte slokdarm en doodgelukkige ouders naast zich.

Maarten nam de telefoon op en ik wist meteen dat alles anders zou lopen. Vanaf dan zou alles nog meer moeite kosten. In de eerste plaats het kolven. De eerste nacht rolde een verpleegster zo’n kolfmachine mijn kamer in. ‘Het is vier uur, probeer maar te kolven!’. Ik wist niet wat ik ermee moest doen. Gelukkig hing er een geplastificeerd instructiepapiertje aan.
Ik had nog nooit van stuwing gehoord, tot een andere vriendelijke verpleegster (er werken er daar gelukkig 2) me een paar dagen later vertelde over ijs en masseren. Later, veel later, leerde ik dat ik aan alle voorwaarden voldeed om het afkolven tot een kwelling te maken. Toen had ik al twee borstontstekingen en onnoemelijk veel pijn achter de rug. En nauwelijks melk voor Wiebe. Het enige wat ik op dat moment echt voor hem kon doen.

Had ik tijd gehad om die foldertjes te lezen was het misschien ook niet gebeurd. Maar ik reed de hele tijd over en weer naar Wiebe, en daar ga ik echt niet zitten lezen.

Voelde me een aansteller

Ik had zo graag borstvoeding gegeven. Zo onbeschrijflijk graag. Maar dat was onmogelijk.

Tijdens mijn opgelegde wandelingen door de gang - ik kon pas na vijf dagen een paar stappen zetten - hoorde en zag ik in elke kamer baby’s huilen, borstvoeding krijgen, geknuffeld worden. Het rook er naar doopsuiker. Ook dat had ik niet. Geen tijd voor gehad met al die problemen in de verbouwing. Geen mogelijkheid een winkel te bezoeken met die opgezwollen ballon die mijn buik was geworden.
De meeste verpleegsters hadden geen begrip voor mijn voorgeschiedenis. Het veranderde een beetje toen ik eens bijna flauw viel van de pijn. Toen kwamen ze plots met zijn drieën afgelopen waarvan er mij één iemand verweet dat ik het zelf gezocht want ik had het niet zò mogen doen. Ah zo.

Ze begrepen niet dat ik verkrampt was van angst. Ze begrepen niet hoe het is om de zalvende werking van een babybedje op de kamer te moeten missen. Ze begrepen niet dat mijn overbelaste buik het moeilijker had om te herstellen.

Maar opnieuw voelde ik me een aansteller en verloor ik met het uur meer zelfvertrouwen. Ik durfde niet te zeggen hoe zwaar ook het afkolven me viel. Ik durfde niet te zeggen dat hoe meer ik kon rusten, hoe langer ik naar Wiebe kon. Ik probeerde me de veelbetekenende blikken niet aan te trekken als ze me in bed zagen liggen. Ik was er zo erg aan toe dat ik me aan elke loszittende steen vastklampte om niet te vallen.

Sterk genoeg om naar huis te gaan

Op 3 oktober kreeg Wiebe zijn eerste 3 ml melk. En hij verteerde het goed. Drie dagen later waren mijn vleugels sterk genoeg om naar huis te vliegen.

De volgende dag moest ik rillend van de koorts uit Wiebes kamer vertrekken (in een gewone rolstoel uiteraard). Het duurde ruim een uur eer ik het bibberen onder controle kreeg. Ik snakte naar mijn warme bed en kon het al zien liggen, toen de gestapo van het derde verdiep ons tegenhield. Een beschuldigende vinger werd naar ons uitgestoken. Wij hadden een groene ligstoel bij de vijanden van neonatologie laten staan! En zij hadden ons nog zo verboden die te nemen!

Hoe ze dachten dat zoiets nog maar praktisch mogelijk was weet ik niet. Van de hoge koorts trokken ze zich niet veel aan. Ze beloofden bloed te trekken, maar ze hadden daar pas uren later tijd voor. Al die tijd kon ik niet naar Wiebe. Het bloedonderzoek brak mijn schamel gemetste muurtje nog verder af. Die duurde drie kwartier en liet mijn arm helemaal blauw achter. Een stagiaire...
Ze vonden een infectie, wat een verrassing.

Vijf dagen lang kreeg ik mijn ontbijt pas op het moment dat ze me kwamen halen om naar neonato te gaan. De kans om de verzorging van Wiebe te missen weegt niet op tegen sponsbrood en zoute plakjes kaas. Op de zesde dag besloot neonato te helpen. Ze zouden wachten met de verzorging tot ik gegeten had.

Ik slokte mijn eten naar binnen, maar niet snel genoeg. De verpleegster kwam een paar seconden voor ik wou vertrekken de kamer binnen. Ik moest eerst naar radiologie omwille van mijn koortsaanval de dag voordien. Hoe ik ook huilde en protesteerde, ik moest. Want ‘ze zouden Wiebe nog wel eens verzorgen’. Dat ik niet alleen de verzorging, maar ook het kangoeroeën zou missen, dat ik rekening moet houden met kolven en vervoer, dat ik hem gisteren bijna niet gezien had, dat die radiologie nutteloos was, speelde allemaal geen rol. Ik kon alleen maar denken aan Wiebe zien, en dat pakten ze me vlak voor mij neus af.

Ik kwam op zijn kamer aan om elf uur, stikkapot, kolfritme om zeep, en Wiebe sliep. Dat gevoel van machteloosheid zou alleen maar groter worden.

Het hielp me wel de volgende dag snel de uitgang van het ziekenhuis te vinden. Maar niet voor we de vermiste stoel hadden teruggevonden bij neonatologie, met sluitend bewijs dat wij die daar niet hadden laten staan. Een afscheidscadeau.

Eline