Op stap: als je met je baby wordt buiten gekeken

‘Kan het zijn dat de luier van een van uw kinderen moet worden vervangen? Het ruikt hier nogal onaangenaam.’ We hebben ons nog geen vijf minuutjes geïnstalleerd wanneer een nogal opgedirkte dame aan het tafeltje achter ons zich omdraait om haar ongenoegen te uiten. 

Wat ruikt hier zo onaangenaam?

‘Kan het zijn dat de luier van een van uw kinderen moet worden vervangen? Het ruikt hier nogal onaangenaam.’

We hebben ons nog geen vijf minuutjes geïnstalleerd wanneer een nogal opgedirkte dame aan het tafeltje achter ons zich omdraait om haar ongenoegen te uiten. We, dat zijn mijn goeie vriendin Sarah en ikzelf, samen met onze baby’tjes van respectievelijk vijf en zeven weken oud. We kijken elkaar aan en weten even niet hoe te reageren of wat zeggen.

Neen, onze kinderen hebben propere luiers. Neen, het ruikt hier niet onaangenaam. Wat denkt ze wel? Integendeel zelfs, het ruikt hier zalig. Die zachte, lieve geur van pasgewassen babyhaartjes en babycrème. Trouwens, mijn baby ruikt altijd lekker. Oké, in geval van een kakapamper kunnen we spreken van een stevig stinkbommetje. Maar vandaag moet de bombsquad niet gebeld worden.

Donderslag bij roze hemel

We zijn nog eens op stap onder vriendinnen en new moms, voor een gezellig lunchke met onze twee pasgeboren spruitjes. We zweven op een (relatief en overwegend) rozige wolk - we vergeten bij deze even de onderbroken en moordende nachten evenals de emo-buien.

De opmerking komt aan als een donderslag bij rozige hemel. We antwoorden de dame in kwestie zonder onze ergernis onder stoelen of banken te steken dat er een vergissing moet zijn; onze kindjes zijn proper gewassen, ververst en welriekend.

De dame en haar tafelgenoten fluisteren wat en trekken dan demonstratief met hun tassen koffie richting terras. We voelen ons gekrenkt en geschokt. Je verwacht toch dat mensen baby’tjes schattig vinden? Toch zeker zulke rustige, ubersnoezige (en zalig geurende)? Toch zeker de onze?

Al dat babygerief staat in de weg

Een paar weken later moeten we helaas opnieuw constateren dat dat niet altijd het geval is.

We hebben opnieuw afgesproken voor een lunchdate met de kindjes. Zalig, vriendinnen met gedeeld zwangerschapsverlof. Na wat overleg besluiten we een welbepaalde brasserie binnen te stappen, waar het niet te druk lijkt en met een gevarieerd publiek. Het kost wat moeite om de deur binnen te geraken met onze koetsen en babyproof bagage. Een mens zeult al wat mee. Na wat aarzelen en rondkijken - zonder dat er suggesties komen van het zaalpersoneel, kiezen we een tafel uit aan de ingang, waar we schijnbaar het meest ruimte hebben voor onze kindjes en aanhang.

Een paar minuten later, terwijl we aan het puzzelen zijn hoe we ons best installeren, komt een knorrig heerschap ons erop wijzen dat we de gang blokkeren en dat we die snel moeten vrijmaken.

We zeggen hem vriendelijk dat we aan het werken zijn aan een oplossing maar dat het even duurt om koetsen op te plooien of opzij te schuiven en er is nu eenmaal weinig ruimte. Een paar luttele minuten later komt dezelfde man opnieuw klagen, deze keer nog botter, dat we werkelijk haast moeten maken en dat dit niet gepast is. Ondertussen beginnen Sarah en ik ons opgejaagd en bekeken te voelen. De toon van die man staat ons helemaal niet aan, we hebben het moeilijk ons te organiseren aan de tafel en de kindjes zijn onrustig geworden en beginnen hun keeltjes open te zetten. Er is nog steeds niemand komen opdagen om ons eventueel te helpen naar een betere locatie, terwijl we afwisselend met koetsen, zakken en baby’s jongleren.

Weggekeken

Wanneer de kerel nog maar eens aan onze tafel verschijnt en onbeleefd blaft ‘is dit nog steeds niet opgelost?’, wordt het me te bont. Ik besef ineens dat dit de eigenaar is van het etablissement! Hier willen we duidelijk geen cent uitgeven.

Geschokt zeg ik de man dat we vertrekken. Dat we allesbehalve correct werden onthaald. Dat, als we een moeilijke plek hadden uitgekozen, ze ons maar hadden moeten verder helpen.

Wanneer hij me bijna smalend aankijkt, voeg ik er aan toe (lichtjes stotterend want de boosheid begint over te nemen) dat hij een stevige commentaar mag verwachten op resto.be. Ahum. Ik heb nog nooit mijn gal gespuwd op het internet, maar nu overweeg ik het toch. Niet dat het die kerel écht wat uitmaakt, maar hoe kunnen we hem beter straffen dan hem onze centen niet te gunnen en wat negatieve reclame te maken? Met blozende wangen blazen we de terugtocht. Bah, hier zetten we echt NOOIT nog een voet binnen.

Welkom, baby’s!

Gelukkig vinden we even later een klein etablissement waar we wél welkom zijn. Veiligheidshalve gaan we eerst binnen eens horen of we ons mogen installeren met onze voertuigen en consorten. Ja hoor, natuurlijk. We worden zelfs fijn geholpen bij het binnen-en buitendragen van ons gerief. En bij vertrek krijgen we een flyer mee van het andere restaurant van de eigenaar, waar ze op bepaalde dagen blijkbaar babysit organiseren. De wereld is weer goed. Wie ziet er niet graag baby’tjes? En zulke welriekende? En zeker de onze?