Van zwangerschapsdiabetes tot pre-eclampsie: als je zwangerschap geen pretje is

  • door Gastmama

Toen ik 28 weken zwanger was en het onderzoekslokaal binnen kwam voor een gewone vier-wekelijkse echo kreeg ik het te horen. Ik had zwangerschapsdiabetes, en niet zomaar een beetje. De waardes in mijn bloed waren zo hoog dat ik mezelf ook geen illusies maakte en er me meteen van bewust was dat een dieet alleen niet zou volstaan. Ik zou dagelijks driemaal insuline moeten spuiten, misschien zelfs vier keer. En ik zou dat met een naald in mijn buik moeten spuiten waar mijn kleine meisje groeide. Ik zou voor en na de maaltijd ook in mijn vinger moeten prikken. Hierdoor zou mijn kindje hoe dan ook op 38 weken worden geboren.

Na vijf minuten huilen toen ik thuis kwam, besloot ik mezelf bijeen te rapen en de kasten open te trekken op zoek naar iets wat ik zou mogen eten. Ik zou absoluut niet bij de pakken blijven zitten en zou er meteen in vliegen, in afwachting van een consultatie bij de diabetoloog. Ik kon op dat moment niet anders dan alvast een eigen dieet starten in afwachting van meer. Ik was bovenal gemotiveerd alles te doen voor mijn kleintje, want de gevolgen zijn groot als men niet ingrijpt.

Ik was doodop

Goed wetende dat het niet mijn eigen schuld is dat ik zwangerschapsdiabetes had, leed ik er wel onder. Ik kon ‘s nachts niet slapen door de hoge suikerwaarden in mijn bloed. Al heel lang niet meer. Ik was doodop. Bovendien heb ik een zware job en ben ik zelfstandige, dus ik moest mij hierdoor slaan.

Helaas kreeg ik in mijn omgeving dingen te horen als dat het mijn eigen schuld zou zijn dat ik zwangerschapsdiabetes had: ik at te veel suiker, ik at te vet. De mokerslag die ik niet nodig had.

Nog slechter nieuws

Vol goede moed ging ik naar de volgende echo op 32 weken. De insuline deed zijn werk, ik kon terug wat slapen en ik voelde me merkbaar beter. Maar toen kwam het slechtere nieuws dat al het voorgaande relativeerde: ik leed op de koop toe aan pre-eclampsie.

“Uw kindje zal hoe dan ook te vroeg geboren worden, die 38 weken halen we sowieso niet, maak best een afspraak voor een rondleiding op de neonatologie zodat u aan het idee kan wennen dat uw kindje daar een tijdje zal verblijven”.

Verweesd maar vol goeie moed trokken we naar huis. Ik besloot mezelf voor te bereiden en alvast alle belangrijkste spulletjes in te pakken die je nodig kan hebben in het ziekenhuis, voor het geval mijn toestand zo snel achteruit zou gaan dat ze het kindje al zouden halen. Dan zou ik voorbereid zijn.

Ik werd steeds zwakker

Uiteindelijk ging de tijd voorbij maar voelde ik me elke dag zwakker worden. Ik kreeg aanvankelijk wekelijkse consultaties, plots kreeg ik om de aantal dagen consultaties en werd ik nauwlettend opgevolgd. Intussen hield ik zo veel vocht vast dat ik amper kon bewegen. Ik zag er nog uit als een monster met gele kringen rond mijn mond en mijn ogen.

Mooie foto’s van mezelf met mijn bolle buik heb ik dus niet. Ik was beschaamd om buiten te komen. Want alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, vonden wildvreemden het nog nodig om opmerkingen te geven over het feit dat mijn buik wel erg dik was (en dat was hij niet, ik had een klein baby’tje, en ik had niks te veel vruchtwater). Ik kon er wel om huilen.

Intussen werkte ik gewoon door, zo veel ik kon, want het kon niet anders. Ik kon niet zomaar mijn zaak laten vallen, daarvoor had ik te hard gewerkt.

Bang afwachten

Plots waren we halfweg 35 weken zwangerschap. Ik voelde me intussen zo slecht dat ik van niet beter wist. De zwangerschapsdiabetes, de insuline, nog amper iets mogen eten want in werkelijk alles zit suiker, het deed me niets meer. Het was gewoon bang afwachten, hoewel de grootste zorg voorbij was toen mijn zwangerschap bijna 35 weken had afgerond. Als ons meisje nu zou geboren worden, zou ze er gemiddeld gezien al veel beter aan toe zijn, zeiden we tegen onszelf.

En dan, de dag voor ik 36 weken zwanger was ging de telefoon om 23u30. Mijn gynaecoloog aan de telefoon, om te zeggen dat ik me ’s morgens vroeg moest melden: ons meisje zou geboren worden want mijn gezondheid ging te slecht achteruit, zo bleek uit resultaten die ze net binnen had. Het weekend overbruggen was een te groot risico. Maar wat waren we opgelucht dat we de 36 weken gehaald hebben.

Wat was ze klein

De bevalling zelf verliep niet van een leien dakje. Ik werd ingeleid onder zeer veel medicatie, met infusen in beide handen. Toch was ik dankbaar op die manier te kunnen bevallen.

’s Nachts werd ons klein meisje geboren. Nog net voor middernacht. Wat was ze klein, veel kleiner dan ik me had ingebeeld.

Eenmaal ‘opgelapt’ werd ik helemaal uitgeput in een bedje naar de neonatologie gereden. Daar lag ze dan. Zo klein en zo kwetsbaar vol kabeltjes aan allerhande piepende machines.

Ik mocht ze even vanuit de couveuse bij me houden. Wat was ze klein.

En toen, op dat moment, veranderde de hele wereld en werd alles relatief.