Zo deden we het in de jaren 80: work versus kids

Een doordeweekse vooravond in de jaren 80. Met mijn kroost in het kielzog stapte ik ons huis binnen. In de gang liep een oudere man in zijn pyjamabroek te ijsberen en in zichzelf te praten. De deur van de wachtzaal stond op een kier. Er klonk geroezemoes…

Een doordeweekse vooravond in de jaren 80. Met mijn kroost in het kielzog stapte ik ons huis binnen. In de gang liep een oudere man in zijn pyjamabroek te ijsberen en in zichzelf te praten. De deur van de wachtzaal stond op een kier. Er klonk geroezemoes…

Kinderen tetterden er op los, mama pseudokalm

Wat voorafging …

Juist voordat de kinderen naar de naschoolse opvang moesten in de turnzaal, kwam ik aangestormd op de speelplaats. Net op tijd! Een onverwacht, dringend huisbezoek had mijn planning volledig in de war gestuurd.

Snel snel verzamelde ik mijn kroost (niet erg pedagogisch verantwoord), gooide de boekentassen in de koffer en zette aan naar huis. Mijn drie kinderen op de achterbank tetterden er op los, terwijl ik, pseudokalm, probeerde thuis te geraken zonder accidenten te rijden of boetes op te lopen. Ik verstond geen woord van wat ze me probeerden te vertellen over hun dag op school. Eigenlijk waren ze nog aan het ruzie maken over wie het eerst mocht vertellen. Mijn hoofd barstte! In de toekomst, vertelde ik hen, spreken we een beurtrol af over wie het eerst mag vertellen. (Mijn kinderen waren alle drie babbelaars, wat de rust niet ten goede kwam, maar wel voor een superleuke sfeer zorgde.)

Thuisgekomen zag ik dat mijn echtgenoot het plakkaatje 'binnen zonder bellen' al had uitgehangen. Er was al wat geroezemoes in de wachtzaal. Ik zou gauw begrijpen waarom …

 

Een ongedurige patiënt in pyjamabroek

Met mijn kroost in het kielzog stapte ik ons huis binnen. In de gang liep een oudere man in zijn pyjamabroek te ijsberen en in zichzelf te praten. Het zicht was niet bijzonder aantrekkelijk, vooral niet de inkijk in zijn loshangende broek. Ik loodste onze dochters snel langs hem heen en maande hen aan om al naar de keuken te gaan.

‘Wat is er aan de hand?’

‘Het is heel dringend’, zei de man. ‘Ik heb mijn pillen nodig en ik kan niet wachten.’

Ondertussen stak er al en misnoegd hoofd uit de deur van wachtzaal. ‘Die meneer is na ons binnengekomen!’, was de boodschap.

Nu begreep ik het. De angst bestond erin dat de man voor hen ging bediend worden, terwijl ze al een hele tijd aan het wachten waren. Vandaar het verontwaardigde geroezemoes. 

Mijn hongerige kinderen waren door het sleutelgat van de achterkeuken het spektakel aan het volgen, want toen ik de deur opendraaide, kreeg mijn jongste bijna een blauw oog. 

Misnoegde patiënten versus uitgehongerde kroost: wie eerst?

Misnoegde patiënten in de wachtzaal, een verwarde patiënt in de gang, een uitgehongerde kroost in de keuken… Even nadenken!

Het avondmenu klaarmaken dat ik voorzien had zou te veel tijd in beslag nemen. Dan maar snel rijst koken en champignons in de pan gooien. Het vlees was maar te bakken, de diepvriessoep maar op te lossen. En als afsluiter snel een ijsje scheppen. Zo geraakten de buikjes tevreden vol zonder dat ik het frustrerende gevoel kreeg hen ongezonde fastfood opgediend te hebben.

De verwarde man, die ik al jaren kende, had ik intussen al in mijn kabinet binnengelaten, zodat de rust wat kon terugkeren in de wachtzaal. Ondertussen werd er wel gepalaverd en gespeculeerd over het hoe en waarom de patiënt uit de gang verdwenen was. Ik haastte me om plus minus op tijd de raadpleging te beginnen. De zieke, dementerende man was heel snel geholpen. Zo ontgoochelde ik de ongeduldige wachtenden niet te veel want ‘er was niemand voorgekropen’. En dus: eind goed, al goed. :-)