Mijn kind, schoonste kind

Mijn dochter? Mooi, lief, slim, mondig, lenig. Een beetje koppig, zeg je? Ja, maar dat zal haar later toch alleen maar ten goede komen! Klein? Maar zo dapper! Hevig? Energiek, bedoel je? Ben ik mogelijks een beetje bevooroordeeld als het over mijn kleuters gaat, zeg je? Euhm … Kuch. Neen?

Het begon allemaal … in de buik

Ik herinner me nog één van de eerste echo’s van mijn dochter, nu meer dan 5 jaar geleden. Toen de gynaecoloog vertelde dat ‘de foetus beweeglijk was’. Dat was voor mij voldoende om trots aan Jan en alleman te verkondigen dat mijn baby in wording ‘enorm’ en ‘buitengewoon’ mobiel was.

Of toen hij aangaf dat ze, wat gewicht betreft, op de ‘P75’ zat. Dat wilde zeggen dat maar 25 procent van alle kindjes dikker was. That’s my girl! Geweldig toch, ze eet nu al briljant goed!

En wat toen al groeide, die moederlijke trots, nam alleen maar toe na haar geboorte. Er bestond onmogelijk een mooiere baby. Geen enkele zuigeling had zo een krachtig stemgeluid. En er was toch zeker geen andere baby van amper drie dagen oud die haar hoofdje al zo goed recht kon houden?

Glimmen van trots

Ik glim nu nog altijd stiekem (of niet stiekem) van trots als ze ‘al’ een handenstand kan doen. Of haar naam kan schrijven. Een zin met twee bijzinnen kan vormen. Zonder een spoortje angst in het zwembad springt. Een tekening bijna perfect binnen de lijntjes kleurt.

Maar bovenal houd ik van haar karaktertje dat zich aan het vormen is. Van de ongelofelijke vragen die ze mij stelt (‘Mama, wie ben ik eigenlijk? Ik ken mijn naam wel, maar wie ben ik nu?’). Van haar doorzettingsvermogen dat me steevast de kast opjaagt (‘Mama, nog een verhaaltje. Nog eentje. Alsjeblieft.’). Van haar knuffels.

Gelukkig zijn

En ben ik blind voor haar mogelijke ‘mindere kantjes’? Neen, eigenlijk niet. Moet ik haar bijsturen, waar nodig? Zoveel mogelijk.

Moet ze in alles uitblinken? Natuurlijk niet. Het/haar leven is geen competitie. Het is een huizenhoog cliché, maar zo waar: als ze maar gelukkig wordt. Que sera, sera.

En, wat er ook gebeurt, ik zal, samen met haar papa, haar grootste fan blijven.

Dat is onvoorwaardelijk.

We zijn nu eenmaal een ietsepietsie, piepklein beetje bevooroordeeld.

As we should be.